copyright Gerrit Kram (publicatie alleen met toestemming: gerritkram@hotmail.com)







Posts tonen met het label goden. Alle posts tonen
Posts tonen met het label goden. Alle posts tonen

donderdag 22 april 2010

Laat Kerstgedicht

Het is al meer dan twee eeuwen geleden,
dat Jezus werd geboren in een stal.
Er stond een grote ster in het heelal
en engelen zongen luid , God brengt ons vrede.

Sinds dat moment is er door mensen steeds geleden
werden  miljoenen mensen zomaar afgeslacht,
om geld en goed, om roem en ook om macht,
of omdat ze slechts een andere God aanbeden.

Ook nu is er geen teken van Gods vrede,
nog overal sterven er mensen door geweld
en door de honger worden duizenden geveld
al hebben zij tot God, intens gebeden

Zou er een God bestaan die luistert naar ons vragen,
die om ons geeft zonder een enkel voorbehoud.
Of is de ruimte leeg en eind'loos koud
en dienen wij ons lot alleen te dragen.

©2010

donderdag 1 april 2010

Angst en monsters

Soms was het rustig in ons huis. Zo rustig zelfs, dat er nauwelijks spanning voelbaar was. Als je geluk had en pappa had niet teveel gedronken, dan was er zelfs een kans dat hij mooie indringende en erg griezelige verhalen vertelde. Die gingen dan meestal over hemzelf en wat hij meemaakte in Indië. Over een patrouille in Atjeh, of tijdens de schermutselingen met de jappen over hem als gevangene in Birma, bouwend aan de beroemde spoorweg. Vanavond is zo’n avond. Hartje winter met een lekker snorrende kachel. Buiten koud en donker. Het gele licht van de perkamenten lampenkap, waarop rode figuurtjes extra kleur brachten, dwarrelde door de kamer. Pappa zit aan de jenever hij is er net aan begonnen en dus niet dronken. Hij drinkt niet uit een glas, maar zet de fles behoedzaam aan zijn lippen om er dan een slokje van te nemen. Zoiets sla ik dan angstig gade, want als er teveel gedronken wordt, dan verandert zijn stemming. Meestal slaat die stemming dan over in boosheid en soms blinde woede. Dan moeten er ergens voor schuldigen worden gezocht en gestraft. Vanavond wil hij graag vertellen en wij, mijn grote broer, mijn zus en ik, wij luisteren.
Zo verteldt dat je in indië, ’s-nachts, nooit aan de zijkant van een straat of steeg moest lopen. Niet op de landwegen en niet in een kampung.Nee, je moest midden op straat open. Dan zou een overvaller een stuk moeten lopen om jou te bespringen. Die overvaller verschool zich vaak achter een boom, een huis of in de bosjes aan de kant van de weg. Als jij dan midden op straat liep dan had die overvaller tenminste 4 of 5 passen nodig om jou te bereiken.Jij kreeg daardoor tijd om te reageren. Overvallers hebben altijd een kris of klewang bij zich. Zo vlijmscherp, dat als je er een haar op liet vallen, deze haar door de kracht van de val werd doorkliefd en in twee stukken uiteen viel. Met zo’n wapen in de hand besprongen ze jou, als nietsvermoedende wandelaar, soldaat of niet. Ze kwamen dan van achter je, om dan de arm en hand, waarmee ze hun mes vasthielden, om je buik te slaan. Een steek en een snee, waren dan voldoende om je ingewanden eruit te laten rollen. Jij zou dan weerloos zijn en een pijnlijke, maar langzame dood sterven. Wanneer je ingewanden op de grond waren gerold, kon je weinig of niets meer doen. Hele gemene overvallers, ook genoemd extremisten, bukten zich dan over je heen, om je darmen nog even flink in het zand te rollen. Dat was pijnlijk en je kon dan helemaal niet meer geholpen worden. Pappa liep uiteraard niet langs de kant van het pad of de weg. Maar in het midden. Zijn hand aan de klewang en het pistool in de aanslag. Hij deed het dan voor, hoe hij liep en ik maakte daar dan een beeld van in mijn gedachten. Een stoere sterke soldaat in het donker, fier doorstappend en op zijn hoede. Daar kwam een overvaller vanachter een boom vandaan. Stap, stap stap, en pappa had zijn klewang al in de handen, en sloeg zo’n overvaller de kop af. Klus geklaard. Zou ik zelf ooit zo dapper zijn als pappa?

In ieder geval nu niet. Het verhaal was ten einde en ik moest naar bed. Naar bed gaan betekende naar boven gaan. Alleen. Zouden daar ook overvallers zijn in het stikdonker. Verstopten ze zich op de vliering, of lagen ze onder je bed. Vast wel. Maar niet naar boven durven, was een gewaagde onderneming. Bang mocht je van pappa niet zijn. Angst werd afgestraft met flinke klappen inclusief scheldkanonnade en een gepaste straf. Dat laatste was altijd verschrikkelijk. Rookte je bijvoorbeeld een sigaret, dan kon je, voor hem staande,een zwaar sjekkie, geheel over je longen oproken. Tijdens de misselijkheid erna, kwam dan de aframmeling.
Ik keek naar hem en dan weer naar de deur van de kamer. Wat zou ik kiezen, hem of de donkerte van de trap en mijn slaapkamer. Een dergelijke keuze ging altijd gepaard met een langdurig moment van stille angst en besluiteloosheid. Wat zou erger zijn. De aframmeling en de daarop volgende ellende, of worden vermoord op je slaapkamer, door een extremist. Mijn blikken vlogen verwilderd de kamer rond. Ik besefte dat ik snel een keuze moest maken. Maar er was geen echte keuze, althans voor mij niet. Er hing een dubbele angstwaas om me heen en door die angstwaas zag ik mamma. Ik rende op haar af en begon te huilen. Of zij het verhaal en alles daaromheen had gevolgd, wist ik niet. Toch sloeg zij haar armen om me heen en tilde me op om me naar bed te brengen. Een moment zal ik gedacht hebben dat ik voorlopig was gered. Gered van de beangstigende weg naar mijn slaapkamer, over de donkere trap en langs de donkere andere slaapkamers. Samen met mamma zou ik dan onder mijn bed kunnen kijken, of er iemand onder lag. Maar zover kwam het niet. Pappa greep in. “Kom hier”!!! schreeuwde hij. Ik klampte me nog meer vast. Wat er verder gebeurde weet ik niet. Er was een woordenwisseling en er vielen klappen. Niet op mij, maar ik geloof op mamma. Toen werd ik uit haar armen gerukt. Pappa zette me neer recht voor hem, tussen mijn oudere broer en zuster. Blijkbaar hadden zij ook angst getoond of het was gewoon de gelegenheid om een straf aan alle drie te geven.
Wij moesten naar buiten. Achter het huis de lange tuin in, tot aan de sloot. Daarna links af door de bomenrij totdat we op het verste punt van het huis stonden. Daar moesten we blijven staan, totdat we terug mochten komen. Het was koud. Voor ons lag de gapende donkerte, van onze lange moestuin. De achterkant was vanaf de achterdeur, waar wij naar buiten moesten, niet te zien. Na schreeuwende bevelen, liepen wij de duisternis in. Ik kon helemaal niets zien. Verblind door de duisternis, of verblind door de angst, liep ik met mijn broer en zuster mee. Tot aan de stinkende sloot, die onze moestuin scheidde van het slachthuis. Die sloot stond altijd vol met een bloederige drab, omdat het slachthuis in die sloot afwaterde. De afstand van het huis tot aan de sloot, bedroeg slechts 150 meter. De reis ernaar toe duurde voor mij een eeuwigheid. Ik keek naar de grond. Achter ons was de snerpende stem van pappa, die riep “verder!!, verder!!”. Voor ons waren vlagen van duisternis waarop donkere vlekken zich heen en weer bewogen. Om ons heen voelde ik mensen, overvallers, die wachtten op het juiste moment om toe te slaan. Als we dichtbij waren zouden ze ons bespringen en onze buiken opensnijden. Ik bedacht dat de grond onder onze voeten bestond uit klei. Moeilijk om dat je ingewanden in uit te smeren. Daar was zand beter voor. Maar de pijn die het zou doen, als mijn buik werd opengesneden, leek mij verschrikkelijk. Toen moesten we naar links. Langs de sloot naar de bomenrij waaraan onze moestuin grensde. Daar in die bomenrij, achter de struiken, zouden die overvallers zijn. Daar konden ze zich verdekt opstellen. Uit het zicht. Het kwam niet in mij op om hard terug te rennen naar huis. Blijkbaar was de angst daarvoor nog groter. Toen kwam het moment van stilstaan. “Halt”!!, riep pappa en we bleven staan.

Daar stonden we dan. Een vrije prooi voor alles wat ons van het leven zou willen beroven.
Hoe lang ik daar gestaan heb, weet ik niet. In mijn beleving leek het uren. De koude wind waaide door onze pyjama’s. Mijn voeten waren ijs en ijskoud. Om me heen de loerende blikken van gevaarlijke mannen en vreselijke monsters

zondag 28 maart 2010

Peter

Het is een fantastische augustus zaterdagavond. Een warme lage zon staat boven de horizon en verspreid een gouden licht over het polderweiland. Ik wandel over de dijk en geniet van de verkoeling die de avond brengt. Vogels zingen in her en der in het struikgewas hun laatste lied van vandaag. Als ik vanaf de dijk naar beneden het weiland inkijk, zie ik scholeksters en kievieten hun laatste maal van vandaag zoeken. Dan kijk ik voor me en in de verte zie ik Peter staan. Peter, een magere man van in de vijftig. Hij is een negatieveling pur sang. Niets gaat bij hem goed, althans, dat blijkt als je hem spreekt. Men vermijd dan ook lange gesprekken met Peter. Deze lopen altijd uit op catastrofale verhalen die overal over gaan. Over hem, zijn ex vrouw, de politiek, de sport, kortom, op deze wereld is niets goeds. En Peter is altijd de gebeten hond. Iedereen moet hem hebben en hij gaat er gebukt onder. Het gekke is dat peter zelf altijd het gesprek opzoekt. Hij begint dan met een vrolijke opmerking en stink je erin, dan zit je binnen de korstmogelijke keren naar een ellendeverhaal van “heb ik jou daar” te luisteren. En je komt ook niet zo snel van peter af. Hij blijft doorgaan met ellende spuien en als je wegloopt, loopt hij met je mee.
Er is een uitzondering op de regel ellende. Peter heeft één positief en wonderlijk verhaal. Dat vertelt hij na een aantal glazen bier of enkele borrels, als hij net nog niet dronken is. Dat verhaal kent iedereen . “God”, zegt hij dan, “is een vrouw. Ze heeft blonde haren en grote blauwe ogen die je doordringend kunnen aankijken. Kijkt ze je aan, dan voel je alleen warmte en liefde”. Als wij dan vragen of God perse een blanke vrouw is zegt hij: “Welnee, Als jij zwarte haren en donkerbruine ogen mooi vind, dan zie je haar zo. God zie je zoals jij het wilt. Vrouwen zien misschien wel een man”.
“Door die warmte en liefde, raak je in vervoering. Zo diep dat je weet dat alles op de wereld mooi had kunnen zijn, zoals Zij het bedoeld heeft. Wij mensen hebben er een puinzooi van gemaakt. We liegen en bedriegen de boel bij elkaar en we verpesten de natuur alleen voor het geld. Op een dag zal ik Haar zien. Die kan morgen zijn, of overmorgen. Maar het kan ook erg lang duren. Je weet het niet als mens. Maar eens komt die dag en dan vraagt ze zacht: ga je met me mee? Ik zal dan meegaan, weg van dit ellendige oord, waar niemand is die werkelijk om een ander geeft. Ze zal mijn hand pakken en me leiden, daarheen, met haar mee. Waar naartoe weet ik niet, maar het zal daar erg mooi zijn”

Het gekke is dat Peter in veel van zijn andere verhalen duidelijk laat merken dat hij niet (meer) geloofd en als we hem na zijn mooie verhaal met die gedachte confronteren, schud hij het hoofd en zegt dat wij er helemaal niets van snappen. “Wacht maar”, roept hij dan, “de dag komt, je zult het zien”. Ik kijk voor me naar Peter. Ik zie dat hij over het weilandhek leunt en praat. Als ik dichterbij kom hoor ik dat Peter schreeuwt. “Godverdomme waar ben je”, hoor ik hem roepen. “Ik wacht al jaren godverdegodverdegodver.. Waarom laat je mij zo leven. Dit leven is niet te leven..” Dan ziet hij mij en blijft hij stil. Ik kom dichterbij en groet hem. “Prachtige avond he”, zeg ik en ik denk een klein bevestigend knikje te zien. Ik kijk hem even aan. Ik zie dat hij dikke wallen om zijn ogen heeft en bleek ziet. Hij staart mij aan, zegt niets en kijkt alsof hij zich betrapt voelt. Op zijn grauwgrijze gezicht is een grimas van ellende en verdriet te lezen. Terwijl ik me verwonder dat hij niets tegen me zegt, besluit ik door te lopen. “Fijne avond nog” zeg ik en loop verder. “Doei”, hoor ik hem zachtjes zeggen en dan blijft het stil. Als ik een eind verder ben gelopen kijk ik nog achterom. Hij staat er nog als een plank met zijn gezicht richting weiland. De zon is bijna onder. Peter ziet er in de verte uit als een zwarte schaduw in het oranje rode licht. Dan loop ik verder.

De volgende morgen schijnt de zon weer volop. Ik besluit in de voortuin mijn koffie te drinken. Er lopen twee buren langs, van verderop. “Heb je het al gehoord?”, vraagt een. “Nee”zeg ik, “wat is er gebeurd?”. “Ze hebben Peter gevonden, op de dijk, dood. Hij lag naast het bankje bij het weiland, aan de noordzijde”. Ik schrok wel een beetje omdat ik hem daar gisteravond was tegengekomen. “Het gekke is”, vervolgt de buurvrouw dat hij daar is gevonden met een brede lach over zijn gezicht. Volgens Wim, die hem heeft gevonden, leek het alsof hij blij was dat hij stierf”. “O”, zeg ik, “vreemd en wat een vreselijke bericht”. “Tja”, hoor ik en de buren vervolgen hun weg. Ik nip aan mijn koffie en krijg een gedachte dat het goed is voor Peter om dood te zijn. Dan denk ik aan de lach op zijn gezicht en aan het verhaal van God, de blonde vrouw. Zou Zij hem daar hebben opgehaald?. Ik krijg het gevoel dat Peters verhaal is uitgekomen.

maandag 15 maart 2010

De nieuwe aarde

De bel ging. Ik liep naar de voordeur en zag door het matglas 3 personen staan. Twee in donkere kleding, die wat achteraf stonden en een kleiner figuur, gekleed in bruine kleding voorop. Ik opende de deur. Vlak voor me stond een kleine oude man. Ik schatte hem minstens 65 jaar. Zijn gezicht was ruw en verweerd en zijn dunne loodgrijze haar zat door de war. Achter hem, op een eerbiedwaardige afstand stonden twee heren met een streng gezicht te kijken. “Ik breng u goed nieuws”, hakkelde de kleine oude man. “Het gaat over de nieuwe wereld en dat die komen gaat”. Toen zweeg hij en keek hij, zo leek het, hoopvol afwachtend naar mijn gezicht, alsof hij een directe reactie op prijs zou stellen. Ik zag het bundeltje wachttorens in zijn hand en omdat hij wel aardig oogde zei ik: “Interessant”. Hij veerde direct een beetje op. “Ik ken daar wel meer van vertellen?”vroeg hij voorzichtig met een lichte blije toon in zijn stem. “Nou doe maar”, zei ik zo kordaat mogelijk overkomend. Hakkelend begon hij te praten over de bijbel en het nieuwe beloofde land dat zou komen. Tijdens zijn hakkelende verhaal draaiden de beide zwarte figuren zich om en liepen naar de volgende deur. Ik zag dat de kleine oude man ze al hakkelend vanuit zijn ooghoeken volgde. Ik onderbrak hem en vroeg: “wilt u koffie”. Hij wilde koffie en liep met me mee naar binnen. Ik bood hem de bank aan, schonk een kop koffie in en ging tegenover hem zitten. Ik zag dat zijn gezicht niet meer zo gespannen was en hij nam een nipje van de koffie. Na het nipje zette hij zijn mok koffie neer. “Zo”, zei hij ineens, “nu ken ik tenminste echt vertellen hoe de nieuwe wereld is. Als die anderen erbij zijn moet het precies zoals zij het willen en dan moet ik heel veel moeilijke woorden zeggen, waar ik niets van begrijp”. Hij zakte langzaam achteruit op de zachte bank, genoot van een slok koffie en strekte zijn benen. “Weet u”, zei hij terwijl hij zijn ogen tot spleetjes samenkneep. “Weet u”, herhaalde hij. “De nieuwe aarde is heel erg mooi en wij mensen hebben dan nooit meer mot met elkaar. Er is altijd vrede. Zelfs de dieren eten mekaar niet meer op en wij zullen ook geen dieren meer eten”. Hij stopte met praten en keek mij aan, alsof hij wachtte op een reactie. Ik besloot een korte reactie te geven. “Zo zeg”, zei ik, “dat moet een mooie wereld zijn”. Zijn ogen begonnen te fonkelen en hij vervolgde: “Ja best wel en dat komt door God he”. Hij wreef daarbij in zijn handen. “Nooit meer verdriet en ellende”ging hij door, “enneh, dan heb ik mijn vrouw weer en die gaat nooit meer dood. Dat is prachtig. Ik heb toen ze doodging heel erg gehuild en ik mis haar verschrikkelijk”.Hij stopte even, maar ging snel enthousiast verder: “Maarreh, dat is nog niet alles hoor”, zei hij indringend en hij richtte zich op, boog voorover en keek mij recht in mijn ogen. “Weet u”, en hij bleef me strak aankijken, “dan is er ook geen honger meer op de wereld. Mensen delen alles. Er zijn geen armen meer. Je ken alles gewoon krijgen. Hij legde zijn hand op mijn arm en ik voelde een zachte kneep. “Kijk”, zei hij resoluut. “Ikke heb een volkstuin en nu groeit daar sla in, bloemkool, aardappelen en uien. Aan de rand staan 4 kruisbessenstruiken. En als u honger heb, dan komt u gewoon langs en dan krijgt u een bloemkool of wat aardappelen, helemaal gratis voor niets”. Hij liet mijn arm los en zakte weer achterover tegen de leuning van de bank en hij vervolgde, terwijl hij met zijn wijsvinger naar mij wees, “Je hoeft er noppes voor te betalen. Zo gaat het in nieuwe wereld, alles is gratis en voor niets. En zo helpen wij mensen elkaar. Mooi he”. Toen bleef hij stil en ik begreep dat het verhaal klaar was. “fantastisch” reageerde ik. Ik meende dit. Ik kon me die nieuwe wereld van deze man goed voorstellen. Begreep hem ook volkomen. Zo’n nieuwe wereld als hij zich voorstelde, mocht er van mij komen. Jammer genoeg kwam toen het zakelijke gedeelte van het gesprek. Ik kocht een wachttoren en gaf hem een tientje. “We hadden een goed praatje meneer”, zei hij in het opstaan. Toen wandelde hij naar de deur. “Dag meneer”, groette hij vriendelijk, “Misschien tot een volgende keer”. Ik zag dat de twee grijze muizen op hem hadden gewacht. Ik zwaaide nog één keer en sloot mijn voordeur en dacht aan de mooie nieuwe aarde van dat mannetje. Van mij mocht die er morgen al zijn.

vrijdag 12 maart 2010

Theologie: De Zondvloed

Is er een zondvloed geweest?. Ik heb er veel over gelezen, om te beginnen in de bijbel. Uit al mijn leeswerk blijkt dat veel delen van de huidige aarde wel onder water hebben gestaan. Maar of dat nu komt door de zondvloed, zou ik niet durven zeggen. Maar goed, gelovigen die ik ontmoet en waar ik mee spreek beweren dat er wel degelijk een zondvloed is geweest. Zij beroepen zich hierbij op Genesis 6: 13-17 waarin het volgende staat.

En God zei tot Noach:”De dagen van de mensen zijn geteld, zij zijn er de schuld van dat de aarde vol gewelddaden is. Ik ga hen van de aarde vernietigen. Gij moet een ark van pijnhout bouwen, met riet moet gij de ark maken en ze van binnen en buiten met pek bestrijken. De ark moet 300 el lang zijn, vijftig el breed en dertig el hoog. Het dak moet één el nar buiten steken, in één van de zijden moet gij een deur maken ook moet gij een onderste een tweede en een derde ruim maken. Want ik sta op het punt een watervloed over de aarde te brengen, die alle levende wezens onder de hemel zal verdelgen….”
Dit is, volgens hun dan, het woord van God en daaraan kan niet getornd worden. Het is de letterlijke waarheid.
Maar stel dat de zondvloed het werk van God was en God Noach inderdaad opdroeg een ark te maken waarop hij van alle diersoorten een paartje zou moeten verzamelen, dan moet dat in de tijd die Noach kreeg een hels karwei zijn geweest. In Genesis 6: 19-20 krijgt Noach inderdaad die opdracht:

“Van alle levende wezensmoet gij verder één paar in de ark brengen, een mannelijk en een vrouwelijk dier moet het zijn. Van de verschillende soorten vogels, vee en kruipende dieren moet één paar met u meegaan om aldus in leven te blijven…”

God verbijzonderde deze opdracht in Genesis 7: 11-24.

“Neem van alle reine dieren zeven paar, telkens een mannetje en een wijfje, maar van de onreine dieren één paar. Ook van de vogels in de lucht zeven paar telkens een mannetje en een meisje. Zo zult ge hun soort in stand houden over de ganse aarde.”

Om deze opdracht uit te voeren kreeg Noach volgens Genesis 7: 4 zeven dagen de tijd.

Logisch nadenken hierover leert dat dit een onmogelijk opdracht is. Volgens geleerden zijn er op dit moment meer dan 30 miljoen soorten dieren op aarde. In de periode van Noach tot nu, zijn er ook erg veel dieren uitgestorven. Die rekenen we voor de makkelijkheid nu maar even niet mee. Uitgaande van die 30 miljoen komt dan de volgende rekensom. 7 dagen zijn 604.800 seconden. Delen we 30 miljoen door het aantal seconden van die zeven dagen, dan moet Noach in die zeven dagen bijna 50 dierparen per seconde aan boord gebracht hebben, een onmogelijke taak. Zouden we het aantal diersoorten halveren, omdat er veel dieren in zee leven, dan gaat het toch nog altijd om 25 dierparen per seconde die aan boord gebracht moeten worden. Ik twijfel dus sterk aan dit verhaal, u ook ?

woensdag 10 maart 2010

Voor mezelf en voor God

Daar stond ze, recht voor het centraal station Amsterdam. Een oudere zwarte vrouw van zeker 65 jaar op een koude maartse dag in de stromende koude regen. Ze was gekleed in een dik gevoerd donkergroen sky-achtig windjack met een hele dikke rode wollen das, die ze drie keer om haar nek geslagen had. Ze had een lange grijsgele jurk aan van een soort dikke stof, die tot haar enkels reikte. Op die rok zaten dikke boerengroene strepen, die van haar taille naar beneden liepen. Ze droeg houten sandalen en had haar voeten ingepakt met extra dikke geitenwollen sokken, misschien wel 2 paar over elkaar heen. In haar linkerhand een grote donkerblauwe paraplu, die haar tegen de regen beschermde en in haar rechterhand een bijbel die ze tegen haar linkerborst aan klemde.


Ik hoorde haar al van ver. “Het is niet te laat” was haar boodschap. “De Heer heeft geduld en wacht op u!!”, schreeuwde ze. Voor haar stond een bord met een Bijbeltekst uit Korintiërs. Dat God de mens zo leef heeft, dat Hij zijn eigen zoon offerde en daaronder een door rode letters benadrukte tekst “HET IS NIET TE LAAT”. En dat was de boodschap dus. “Het is niet te laat en God heeft u lief. U kunt nu voor Hem kiezen”.

Vanachter haar ziekenfondsbrilletje keek ze trots om zich heen. Telkens weer haar teksten roepend, met een brede grijns op haar gezicht. Ze draaide haar hoofd van links naar rechts en volgde met haar ogen de snel passerende mensen die langsliepen. Mensen die of de trein moesten halen, of snel ergens op een belangrijke afspraak in de stad moesten zijn. Of mensen die niet wensten nat te regenen in de heersende maartse kletterbui. Hoe dan ook, niemand bleef staan om te luisteren, behalve ik dan. Ik vond het de moeite waard om een foto te maken van dit prachtige tafareel. Een bevlogen oude zwarte vrouw die tegen kou, regen en wind gewapend het woord van God verkondigde, met een brede glimlach, terwijl niemand luisterde.

Ik vroeg haar of dat mocht en ze gaf lachend toestemming. Ik schoot eerst een stuk of wat plaatjes die het geheel weergaven en daarna wat close ups van haar gezicht. Zij werkte prima mee, keek in de camera als een volleerd fotomodel, maar bleef roepen. Na twintig foto’s dankte ik haar en vroeg of zij de foto’s toegezonden wilde hebben. Zij wilde dat niet. Om mijn toestel af te drogen en op te bergen ging ik even onder de paraplu staan. “Maakt u veel foto’s” vroeg ze belangstellend met een vet Surinaams accent. “Ach”, opperde ik, “het is een hobby van me. Van de foto’s die ik nu heb gemaakt komt er een in een krantje in mijn woonplaats, een kerkelijk krantje”. Ze lachte daarom en ik maakte op dat ze dat erg leuk vond. “Maar”, vroeg ik wat aarzelend, een beetje bang dat ik dit onderwerp niet zo mogen aansnijden, “waarom staat u hier eigenlijk. Niemand luistert naar u, iedereen loopt door. Voor wie doet u dit”. Heel even was het stil daar voor het station ook al tetterde het stadse geluid je van alle kanten in de oren. Ik keek haar aan en zag haar ogen vol pret schieten. Toen barstte ze in schateren uit. “Voor wie denkt u dat ik dit doe dan meneer”, grapte ze. “Voor God? “opperde ik. “Neeeeee schreeuwde ze uit met een pretstem”, ik doe dit voor mezelf. Ik vind het leuk om te doen en het is nodig om de mensen te waarschuwen. En God.. en ze greinste, kijkt naar me en lacht.”

De ratelende bel van een tram maakte deze verklaring af. Ik begreep haar.