copyright Gerrit Kram (publicatie alleen met toestemming: gerritkram@hotmail.com)







Posts tonen met het label bijna doodervaring. Alle posts tonen
Posts tonen met het label bijna doodervaring. Alle posts tonen

donderdag 1 april 2010

Doodgaan

Gisteren ging ik dood.
Zonder afscheid, nergens angst.
Slechts hier en daar wat
eenzaamheid en spijt.
Met een gevoel van vedwaald zijn,
keek ik om me heen en
in de wirwar van mijn overtuigingen,
zag ik nergens zekerheid.
Niet dat ik die zocht,
want er was geen drang
om iets te moeten vinden.
Ik was, mijn gedachte en zag
En toen mijn laatste drang
tot leven was vergoten,
ontstond er rond mij,
een warme leegte
Toen opende mijn huid
en iedereen die ik was
of had gekoesterd als mijzelf
vervloog naamloos
in het zachte niets

En ineens zag ik.
Veel felle kleuren rond mij.
De wervelende schoonheid
van het dagelijkse gewoon,
drong door in mijn lijf.
En daar was jij.
In rook de geur van
bloemen in je haar
en liet me dragen door de
tonen in je stem.
Genoot van de eindeloze diepte
in je blikken van tederheid
proefde jou in alle vezels
van mijn ziel en wist..
Mijn god, wat hou ik veel van jou

En dat besef was het moment
dat een druppel spijt
zich van mij meester maakte
en restte mij
alleen het nu

met jou

Piep...piep

Ik sta voor zijn bed. Aan mijn linkerhand mijn ene- en aan mijn rechterhand de andere zoon. Ze zijn 3 en 5 jaar. Hij ligt in het bed voor ons. De ziekenhuiskamer is donker. De gordijnen zijn dicht. Om hem heen mijn zussen. Mijn broer is er niet, hij is gebeld, maar moet van ver komen. Aan zijn bed mamma, die huilend zijn hand vasthoud. We zijn bijelkaar geroepen op die kamer, omdat dit het laatste moment van pappa zal zijn. Een tergend gepiep begeleid een diagram op een monitor die boven zijn bed hangt. Die monitor geeft de hartslag weer. Piep…. Piep… Piep…Piep… een regelmatige hartslag. Hij is buiten westen. In zijn mond een grote trechter van het beademingsapparaat die af en toe licht beslaat, waarschijnlijk omdat er iets uitgeademd wordt. Ik houd de handjes van mijn kinderen stevig vast en ik kijk.
Ik zie een kleine man liggen. Een zielig hoopje mens die weerloos en zonder zich bewust te zijn van zijn omgeving, zijn einde afwacht. Piep…piep…..piep. het is doodstil…
Dan valt het me op dat hij zo klein is. Zo verschrikkelijk klein. Zo weerloos klein. Ik verwonder me over de ruimte die in het bed over is waarin dat kleine mannetje licht. Ik zie een straal zonlicht dat zich nog door de gordijnen weet te wringen uiteen spatten op zijn voeteneind en vraag me af waarom ik voor deze man mijn hele leven bang, doodsbang ben geweest. Vlagen van herinneringen dringen zich aan mij op. Zijn onbesuisde drankzucht en zijn verschrikkelijke woede-uitvallen. Zijn bedreigingen als je niet deed wat hij zei, zijn enorme overheersing, nee, gijzeling van ons gezin. Ik besef me dat zijn leven voor mij in twee delen is te splitsen. Het deel van mij als kind tot zo’n 13 jaar en daarna. In het eerste deel ben ik beheerst door die angst. In het tweede deel was ik in staat me eraan te onttrekken en te doen alsof het nooit was gebeurd. Dat maakte me in staat om mijn leven te leiden zonder hem, althans, het leek zo. Zo hij in het eerste deel van mijn leven mijn gemoedsrust bepaalde door al zijn dreigementen, uitvallen en daadwerkelijke mishandelingen, zo heb ik me in het tweede deel laten leiden door mijn gevoel, dat ik net kon doen alsof er nooit was wat gebeurd. De overeenkomst tussen beide delen is de schaamte. Ik besefte dat ik me mijn leven lang voor hem had geschaamd. Vroeger, door zijn drankzucht, zijn geschreeuw en zijn mishandeling en misbruik. Het had als een donkere wolk boven mijn leven gestaan. Thuis ingetogen angstig zorgen dat je niet werd opgemerkt, buiten de schaamte. In die schaamte was het feit dat hij wegens misbruik wer opgepakt het grootst. Toen wist de buitenwereld alles en ze vroegen ernaar. Daarna, in een andere stad, bleef hij me ondanks mijn “net doen alsof hij er niet is tactiek” , volgen. Hij bemoeide zich met mijn werk, belde de vrouwen op mijn werk met dubbelzinnige praatjes, waarbij hij mij gebruikte als binnenkomer en last but not least legde hij contact met de moeder van mijn vriendin van toen. Uiteraard bestond dat contact uit sexuele voorstellen. Het was dat contact dat mijn lrelatie met die vriendin beëindigde, al wist ik dat toen niet.
Zijn smerige daden ten opzichte van mijn zussen kwamen niet tot een eid in zijn “nieuwe leven” na de gevangenis. Ze werden erger. Ik heb toen, waarschijnlijk door mijn nieuwe levensstijl, niets gemerkt. Die pijn kwam pas later…
Dan wordt mijn aandacht getrokken door enig rumoer in de kamer. De piep van de monitor gaat langzamer en langzamer. Het einde is dichtbij. Mamma huilt nog steeds en aait hem over zijn arm en over zijn gezicht. Ik zie hem kleiner en kleiner worden. Dan voel ik de warme handjes van mijn zoons in mijn handen. Ik voel me verschrikkelijk rijk en gelukkig. Hij zal toch ook gehouden hebben van zijn kidneren, maar ik, ik ben in staat om het te voelen en te vieren. Dat heeft hij nooit gehad. Ik voel een enorm medelijden in me opkomen voor het kleine mannetje dat voor ons in bed ligt. Zijn leven is nooit iets geweest. Liefde heeft hij niet gekend en elke vonk aan liefde die er was, heeft hij door zichzelf teniet gedaan. Hij was niet in staat die vonk vast te houden en uit te bouwen naar daadwerkelijke liefde. Een gevoel van geluk en blijdschap maakt zich van mij meester, terwijl de monitor nog langzamer is gaan piepen.. piep…………………………………piep……………………...piep……..

Dan is er opeens beweging. Zijn arm beweegt, of trekt samen. De hartslag verhoogd tot een zeer snel piepen.. “Jong” , roept mamma en ze pakt zijn hand met twee handen vast. Dan verandert de snelle piep in een monotone doorgaande piep, hij is dood.
Om me heen wordt gehuild en gesnikt. Mamma is in tranen en ik, ik verwonder me daarover. Ik voel nl. helemaal niets en kijk rond in de kamer en denk, “je zult hier wel zweven. Pappa, zie je mij en mijn kinderen. Dat heb jij nooit gehad en ik heb medelijden met je”… We lopen naar buiten. Iedereen huilt, althans, dat denk ik en mamma weet waarom ik niet huil.. “Bij hem komt het wel later” zegt ze..

zondag 28 maart 2010

Peter

Het is een fantastische augustus zaterdagavond. Een warme lage zon staat boven de horizon en verspreid een gouden licht over het polderweiland. Ik wandel over de dijk en geniet van de verkoeling die de avond brengt. Vogels zingen in her en der in het struikgewas hun laatste lied van vandaag. Als ik vanaf de dijk naar beneden het weiland inkijk, zie ik scholeksters en kievieten hun laatste maal van vandaag zoeken. Dan kijk ik voor me en in de verte zie ik Peter staan. Peter, een magere man van in de vijftig. Hij is een negatieveling pur sang. Niets gaat bij hem goed, althans, dat blijkt als je hem spreekt. Men vermijd dan ook lange gesprekken met Peter. Deze lopen altijd uit op catastrofale verhalen die overal over gaan. Over hem, zijn ex vrouw, de politiek, de sport, kortom, op deze wereld is niets goeds. En Peter is altijd de gebeten hond. Iedereen moet hem hebben en hij gaat er gebukt onder. Het gekke is dat peter zelf altijd het gesprek opzoekt. Hij begint dan met een vrolijke opmerking en stink je erin, dan zit je binnen de korstmogelijke keren naar een ellendeverhaal van “heb ik jou daar” te luisteren. En je komt ook niet zo snel van peter af. Hij blijft doorgaan met ellende spuien en als je wegloopt, loopt hij met je mee.
Er is een uitzondering op de regel ellende. Peter heeft één positief en wonderlijk verhaal. Dat vertelt hij na een aantal glazen bier of enkele borrels, als hij net nog niet dronken is. Dat verhaal kent iedereen . “God”, zegt hij dan, “is een vrouw. Ze heeft blonde haren en grote blauwe ogen die je doordringend kunnen aankijken. Kijkt ze je aan, dan voel je alleen warmte en liefde”. Als wij dan vragen of God perse een blanke vrouw is zegt hij: “Welnee, Als jij zwarte haren en donkerbruine ogen mooi vind, dan zie je haar zo. God zie je zoals jij het wilt. Vrouwen zien misschien wel een man”.
“Door die warmte en liefde, raak je in vervoering. Zo diep dat je weet dat alles op de wereld mooi had kunnen zijn, zoals Zij het bedoeld heeft. Wij mensen hebben er een puinzooi van gemaakt. We liegen en bedriegen de boel bij elkaar en we verpesten de natuur alleen voor het geld. Op een dag zal ik Haar zien. Die kan morgen zijn, of overmorgen. Maar het kan ook erg lang duren. Je weet het niet als mens. Maar eens komt die dag en dan vraagt ze zacht: ga je met me mee? Ik zal dan meegaan, weg van dit ellendige oord, waar niemand is die werkelijk om een ander geeft. Ze zal mijn hand pakken en me leiden, daarheen, met haar mee. Waar naartoe weet ik niet, maar het zal daar erg mooi zijn”

Het gekke is dat Peter in veel van zijn andere verhalen duidelijk laat merken dat hij niet (meer) geloofd en als we hem na zijn mooie verhaal met die gedachte confronteren, schud hij het hoofd en zegt dat wij er helemaal niets van snappen. “Wacht maar”, roept hij dan, “de dag komt, je zult het zien”. Ik kijk voor me naar Peter. Ik zie dat hij over het weilandhek leunt en praat. Als ik dichterbij kom hoor ik dat Peter schreeuwt. “Godverdomme waar ben je”, hoor ik hem roepen. “Ik wacht al jaren godverdegodverdegodver.. Waarom laat je mij zo leven. Dit leven is niet te leven..” Dan ziet hij mij en blijft hij stil. Ik kom dichterbij en groet hem. “Prachtige avond he”, zeg ik en ik denk een klein bevestigend knikje te zien. Ik kijk hem even aan. Ik zie dat hij dikke wallen om zijn ogen heeft en bleek ziet. Hij staart mij aan, zegt niets en kijkt alsof hij zich betrapt voelt. Op zijn grauwgrijze gezicht is een grimas van ellende en verdriet te lezen. Terwijl ik me verwonder dat hij niets tegen me zegt, besluit ik door te lopen. “Fijne avond nog” zeg ik en loop verder. “Doei”, hoor ik hem zachtjes zeggen en dan blijft het stil. Als ik een eind verder ben gelopen kijk ik nog achterom. Hij staat er nog als een plank met zijn gezicht richting weiland. De zon is bijna onder. Peter ziet er in de verte uit als een zwarte schaduw in het oranje rode licht. Dan loop ik verder.

De volgende morgen schijnt de zon weer volop. Ik besluit in de voortuin mijn koffie te drinken. Er lopen twee buren langs, van verderop. “Heb je het al gehoord?”, vraagt een. “Nee”zeg ik, “wat is er gebeurd?”. “Ze hebben Peter gevonden, op de dijk, dood. Hij lag naast het bankje bij het weiland, aan de noordzijde”. Ik schrok wel een beetje omdat ik hem daar gisteravond was tegengekomen. “Het gekke is”, vervolgt de buurvrouw dat hij daar is gevonden met een brede lach over zijn gezicht. Volgens Wim, die hem heeft gevonden, leek het alsof hij blij was dat hij stierf”. “O”, zeg ik, “vreemd en wat een vreselijke bericht”. “Tja”, hoor ik en de buren vervolgen hun weg. Ik nip aan mijn koffie en krijg een gedachte dat het goed is voor Peter om dood te zijn. Dan denk ik aan de lach op zijn gezicht en aan het verhaal van God, de blonde vrouw. Zou Zij hem daar hebben opgehaald?. Ik krijg het gevoel dat Peters verhaal is uitgekomen.

zondag 14 maart 2010

Macrobiotisch

De bedrijfsarts schudde zijn hoofd. “Dat komt nooit meer goed”, zei hij meewarend. “Ik heb met de internist gesproken. Het gaat om en enorme tumor tussen zijn rugwervels, die nog steeds groeit. De kans dat ie zal barsten is groot”. Er viel een stilte in de vergadering van het Sociaal Team. Alle aanwezigen kenden Cor van de afdeling Public Relations. Een raar uitziende man met lang stijlhaar, altijd slordig in een ribfluwelen broek met daarover hangende trui gekleed. Zelfs als het zomer was, had hij die trui aan. Een eigenwijze man die deed waar hij zin in had. Zijn werk was het maken van leuke ontwerpjes voor de publicaties en folders van het bedrijf. Een beetje een kunstenaar dus. Hij kwam en ging wanneer hij wilde, wat nogal eens onrust veroorzaakte bij de mensen die gewoon een baan van half negen tot half zes hadden. Cor mocht alles volgens hun. Er was vaak met Cor over dit gedrag gesproken. Hij gaf het verkeerde voorbeeld. Zijn gedrag tastte de werkstructuur aan. Iedereen moest immers om half negen beginnen en om half zes naar huis gaan. Cor had deze kritiek altijd van de hand gewezen. Hij kon immers aantonen dat hij voldoende werkte. “Inspiratie is niet aan uren geboden” , riep hij dan. En dat was te zien aan Cor’s werkritme. Soms begon hij te werken, als alle mensen naar huis gingen. Soms kwam hij s’-nachts en soms was hij zelfs twee dagen en nachten lang op kantoor. Maar hij was ook wel eens overdag weg. Soms meerdere dagen. Dan hoorde je soms van mensen dat ze Cor hadden gezien, op de fiets in de stad, of wandelend in de natuur, terwijl het op dat moment werktijd was. De afdeling Personeel had het maar moeilijk met die onaangepaste Cor. Maar dat was nu voorbij. Cor was al minstens een jaar ziek. Wij hadden dat pas laat opgemerkt. In het begin van zijn ziekte kwam hij nog wel eens op het werk. Hij klaagde dan over pijn in zijn bovenrug en dat kon je zien, omdat hij zijn hoofd scheef naar voren hield. Maar op vakantie in Zwitserland had hij zich verstapt. De pijn was toen zo heftig, dat ze hem eerst in een Zwitsers ziekenhuis opnamen, om hem vervolgens naar Nederland te sturen. In Nederland werd de diagnose gesteld. Een vette tumor, kwaadaardig ook, tussen zijn rugwervels. Een operatie was onmogelijk.

Op advies van de bedrijfsarts, besloot het Sociaal team Cor voor te dragen voor afkeuring. Maar dan moest het hem wel eerst worden gezegd. Dat moest ik dan maar doen. Hij lag in het Algemene ziekenhuis, dus, daar moest ik naar toe. Ik klom gelijk in de telefoon en verzocht het ziekenhuis of ik Cor buiten de bezoekuren mocht bezoeken, vanwege belangrijke mededelingen. Dat mocht. Ik maakte de afspraak dat ik morgen rond 12.00 uur zou komen. Zij zouden dat aan Cor kenbaar maken. Voor ik ging belde ik eerst met de chef van Cor. Was hij al geweest bij Cor. Dat bleek niet het geval. Ik gaf hem dan ook direct een standje. “Maar”, vroeg ik,”waar houd Cor van, ik bedoel, wat zal ik meenemen voor lekkers”. De chef hoefde er niet over na te denken. “Cor is een fruitman”, zei hij, “hij houd het meest van appels, liefst goudrenetten”. Dat was makkelijk dus. Op weg naar het ziekenhuis ging ik langs een groenteboer en kocht 2 kilo heerlijke goudrenetten. Ze zagen er overheerlijk uit, voor zover goudrenetten er overheerlijk uit kunnen zien. Ik poetste ze een voor een op, om ze nog mooier te doen lijken en ging op weg naar het ziekenhuis. In het ziekenhuis aangekomen drentelde ik naar Cor zijn kamer. Hij lag alleen op een privé kamer, op de tweede etage. Voor de deur aangekomen aarzelde ik heel even. Toen klopte ik op de deur.

“Kom maar binnen”, hoorde ik een vrolijke stem zeggen. Voorzichtig opende ik de deur. Daar zat Cor, rechtop in zijn bed met een brede glimlach op zijn gezicht. Om zijn hoofd was een ijzeren hekwerk gemaakt, wat hem even op een soort robot deed lijken. Om zijn bed heen stonden 3 tafeltjes die vol met zakjes, flesjes, groene bosjes van alles, schaaltjes en potjes stonden. De kasten langs de muur en de vensterbanken waren eveneens bezaaid met dezelfde spullen. “Ha”, riep Cor opgewekt, “de afdeling personeel is er”. Ik produceerde een voelbare zure glimlach, nam een stoel en ging naast zijn bed zitten. Ik overhandigde hem de zak met goudrenetten. Hij keek op de zak en gaf hem direct terug. “Dit soort zaken eet ik niet” zei hij kordaat. “Deze vruchten zijn bespoten en vervuild. Daar word je alleen maar zieker van”. “Oh,” zei ik enigszins geschrokken. “ik wist niet dat U alleen onbespoten fruit at. Ik zal er de volgende keer aan denken als ik weer op bezoek kom”. Hij lachte. “Morgen ga ik naar huis”, zei hij triomfantelijk. Hier kunnen ze niets meer voor me doen. Ik wordt hier alleen maar zieker. Ze willen me niet laten gaan hier, maar ik ga toch. Ik pak alles op en vertrek. Thuis wordt ik weer beter, hier blijf ik ziek.” Ik keek hem blijkbaar erg dom aan, want hij begon vreselijk te lachen. Zijn hoofd met ijzeren stellage erop, zwaaide heen en weer. “Beter? “, en ik herhaalde het woord dat ik het minste had begrepen”. “Ja.. beter!!”schalde Cor. “Natuurlijk wordt ik beter. Je denkt toch niet dat ik zin heb om dood te gaan? “. Hij rekte naar achteren en haalde een map tevoorschijn. “Kijk”, zei hij wijzend op een kaart in de map, “de dokter geloofd ook dat het slecht met me gesteld is. Vrij vertaald staat hier dat ik dood zal gaan, maar dat zal geenszins het geval zijn”. “Hoezo niet”, vroeg ik verwonderd. Het was de enige vraag die ik kon voortbrengen op dat moment. Ik vond het zelf een domme vraag. Cor niet. Hij begon vrolijk te lachen en wijzend op alle potjes, glaasjes, bosjes, kannetjes, zaadjes en flesjes om hem heen verklaarde hij lachend: “ik ben macrobiotisch” geworden. Daar word je beter van. Er volgde een verhandeling over de beginuitgangspunten van de macrobiotiek. Dat je alleen producten mocht eten die van de grond van het land waar je woonde komen en dat bijvoorbeeld goudrenetten wel goed zijn, maar dat ze zo erg bespoten worden dat je langzaam door wordt vergiftigd. Zo zou hij eerst zijn lichaam schoonmaken, waarna de goede werking van zijn nieuwe dieet de tumor zou doen verdwijnen. Ik was sprakeloos. Maar goed, ik moest wat doen, dus ik verzamelde al mijn moed om hem te vertellen dat hij een afkeuringsprocedure in ging en uiteindelijk afgekeurd zou worden. Dat bleek hem niet te deren, integendeel. “Nou”, schamperde hij, “jullie gaan me dus veel vrije tijd geven, dat is mooi….”. Daarna vertelde hij me hoe de macrobiotiek helemaal in elkaar zat en na een bezoek van anderhalf uur, waarin hij wat uien en bieten, vermengd met maanzaad had gegeten nam ik afscheid van hem. De volgende dag belde hij me, Hij was thuisgekomen. “Eindelijk”, zei hij, “want niemand heeft hier de plantjes verzorgd. En, ik ga een nieuwe fiets kopen. Lekker hele einden fietsen met die antenne op mijn kop en over een poosje kan dat ding er dan ook weer af. Ik wenste hem alle geluk in zijn leven.

In het jaar daarna hoorde ik af en toe van Cor. Hij kwam wel eens bij zijn afdeling langs en werd ook in de stad gesignaleerd op zijn nieuwe fiets. Mensen verwonderden zich dan over hoe hard hij reed en als ze hem spraken, hoe vrolijk hij was. Op een dag zag ik hem voor het bedrijf. Hij had net een bezoekje gebracht aan zijn voormalige afdeling en, hij had geen stellage meer op zijn hoofd. “Zo”, riep ik hem toe, “ik zie dat het erg goed met je gaat”. “Inderdaad”antwoord hij lachend, “ik ben die verrekte tumor kwijt. Hij is langzaam verschrompeld en de pijn is weg. Ik ben gezond als een vis”. “Nog steeds macrobiotisch zeker?”, opper ik vragend. Hij kijkt me breed lachend aan, stapt op zijn fiets en roept: “natuurlijk…. en het beste, ik ga ervandoor”. Ik zie hem keihard wegfietsen, de oprijlaan van kantoor af en zo het drukke verkeer in….
Cor is iemand waarover ik wel eens vertel. De wonderbaarlijke genezing. De ijzeren wil om beter te worden en de macrobiotische voeding. Ik vertel dat ik weet dat hij ten dode was opgeschreven, althans door de medici, maar dat hij zich daar niet bij wilde neerleggen. Ik vertel over de potjes, zakjes, doosjes en pakjes die om zijn ziekenhuisbed lagen toen ik hem voor het eerst ontmoette en ik vertel over zijn overtuiging dat hij van zijn tumor zou genezen. En natuurlijk vertel ik ook dat hij is genezen. Zij die mij aanhoren kijken zijn verwonderd of kritisch. De een geloofd het, de ander blijft bedenkelijk kijken. Dat doet er niet toe. Voor mij is het een werkelijkheid.
Bijna één jaar later ontmoet ik Lies, een vrouw die ooit met Cor samenwerkte. Zij kende hem goed en bezocht hem toen thuis en in het ziekenhuis. We raken in gesprek. Eerst over het kantoor waar we beiden gewerkt hebben maar dan over Cor. “Hoe is het met Cor”, vraag ik aan haar. “Hij zal zich wel vermaken, lekker hele dagen vrij”. Lies kijkt mij aan. “Weet je het dan nog niet/” vraagt zij verwonderd. “Wat moet ik dan weten”, vraag ik terug. Dan vertelt zij dat Cor hele einden fietste. Vaak helemaal naar Noord Holland, waar zijn zoon woonde. Op één dag heen en dezelfde dag terug. “Op een dag kreeg hij, vlak bij een restaurantje onderweg, een hartinfarct”, vertelt ze. “Hij is toen naar het ziekenhuis gebracht en op intensive care terechtgekomen”, gaat ze verder. “Daar”, ze aarzelt even, “werd hij wakker en deelde het verplegend personeel mede dat hij macrobioot was, die dat kleine hartinfarctje wel zou overleven. Hij is opgestaan, heeft zichzelf ontkoppeld van de apparatuur waaraan hij lag, heeft zich aangekleed en is naar huis gegaan. Ze hebben nog geprobeerd hem tegen te houden, maar hij is gegaan.” Lies pakt mijn arm en kijkt me ineens indringend aan. Thuis, in de nacht, heeft hij het tweede hartinfarct gekregen en die heeft hij niet overleefd”, zegt ze met enige dramatiek in haar stem. Lies kijkt me aan, misschien hopend op een verwonderde blik in mijn ogen, maar ik ben niet verwonderd. Ik begrijp het volledig. Zo was hij..