Posts tonen met het label godsdienst. Alle posts tonen
Posts tonen met het label godsdienst. Alle posts tonen
maandag 15 maart 2010
De nieuwe aarde
De bel ging. Ik liep naar de voordeur en zag door het matglas 3 personen staan. Twee in donkere kleding, die wat achteraf stonden en een kleiner figuur, gekleed in bruine kleding voorop. Ik opende de deur. Vlak voor me stond een kleine oude man. Ik schatte hem minstens 65 jaar. Zijn gezicht was ruw en verweerd en zijn dunne loodgrijze haar zat door de war. Achter hem, op een eerbiedwaardige afstand stonden twee heren met een streng gezicht te kijken. “Ik breng u goed nieuws”, hakkelde de kleine oude man. “Het gaat over de nieuwe wereld en dat die komen gaat”. Toen zweeg hij en keek hij, zo leek het, hoopvol afwachtend naar mijn gezicht, alsof hij een directe reactie op prijs zou stellen. Ik zag het bundeltje wachttorens in zijn hand en omdat hij wel aardig oogde zei ik: “Interessant”. Hij veerde direct een beetje op. “Ik ken daar wel meer van vertellen?”vroeg hij voorzichtig met een lichte blije toon in zijn stem. “Nou doe maar”, zei ik zo kordaat mogelijk overkomend. Hakkelend begon hij te praten over de bijbel en het nieuwe beloofde land dat zou komen. Tijdens zijn hakkelende verhaal draaiden de beide zwarte figuren zich om en liepen naar de volgende deur. Ik zag dat de kleine oude man ze al hakkelend vanuit zijn ooghoeken volgde. Ik onderbrak hem en vroeg: “wilt u koffie”. Hij wilde koffie en liep met me mee naar binnen. Ik bood hem de bank aan, schonk een kop koffie in en ging tegenover hem zitten. Ik zag dat zijn gezicht niet meer zo gespannen was en hij nam een nipje van de koffie. Na het nipje zette hij zijn mok koffie neer. “Zo”, zei hij ineens, “nu ken ik tenminste echt vertellen hoe de nieuwe wereld is. Als die anderen erbij zijn moet het precies zoals zij het willen en dan moet ik heel veel moeilijke woorden zeggen, waar ik niets van begrijp”. Hij zakte langzaam achteruit op de zachte bank, genoot van een slok koffie en strekte zijn benen. “Weet u”, zei hij terwijl hij zijn ogen tot spleetjes samenkneep. “Weet u”, herhaalde hij. “De nieuwe aarde is heel erg mooi en wij mensen hebben dan nooit meer mot met elkaar. Er is altijd vrede. Zelfs de dieren eten mekaar niet meer op en wij zullen ook geen dieren meer eten”. Hij stopte met praten en keek mij aan, alsof hij wachtte op een reactie. Ik besloot een korte reactie te geven. “Zo zeg”, zei ik, “dat moet een mooie wereld zijn”. Zijn ogen begonnen te fonkelen en hij vervolgde: “Ja best wel en dat komt door God he”. Hij wreef daarbij in zijn handen. “Nooit meer verdriet en ellende”ging hij door, “enneh, dan heb ik mijn vrouw weer en die gaat nooit meer dood. Dat is prachtig. Ik heb toen ze doodging heel erg gehuild en ik mis haar verschrikkelijk”.Hij stopte even, maar ging snel enthousiast verder: “Maarreh, dat is nog niet alles hoor”, zei hij indringend en hij richtte zich op, boog voorover en keek mij recht in mijn ogen. “Weet u”, en hij bleef me strak aankijken, “dan is er ook geen honger meer op de wereld. Mensen delen alles. Er zijn geen armen meer. Je ken alles gewoon krijgen. Hij legde zijn hand op mijn arm en ik voelde een zachte kneep. “Kijk”, zei hij resoluut. “Ikke heb een volkstuin en nu groeit daar sla in, bloemkool, aardappelen en uien. Aan de rand staan 4 kruisbessenstruiken. En als u honger heb, dan komt u gewoon langs en dan krijgt u een bloemkool of wat aardappelen, helemaal gratis voor niets”. Hij liet mijn arm los en zakte weer achterover tegen de leuning van de bank en hij vervolgde, terwijl hij met zijn wijsvinger naar mij wees, “Je hoeft er noppes voor te betalen. Zo gaat het in nieuwe wereld, alles is gratis en voor niets. En zo helpen wij mensen elkaar. Mooi he”. Toen bleef hij stil en ik begreep dat het verhaal klaar was. “fantastisch” reageerde ik. Ik meende dit. Ik kon me die nieuwe wereld van deze man goed voorstellen. Begreep hem ook volkomen. Zo’n nieuwe wereld als hij zich voorstelde, mocht er van mij komen. Jammer genoeg kwam toen het zakelijke gedeelte van het gesprek. Ik kocht een wachttoren en gaf hem een tientje. “We hadden een goed praatje meneer”, zei hij in het opstaan. Toen wandelde hij naar de deur. “Dag meneer”, groette hij vriendelijk, “Misschien tot een volgende keer”. Ik zag dat de twee grijze muizen op hem hadden gewacht. Ik zwaaide nog één keer en sloot mijn voordeur en dacht aan de mooie nieuwe aarde van dat mannetje. Van mij mocht die er morgen al zijn.
Labels:
"jehova getuige",
getuige,
goden,
godsdienst,
jehova,
mannetje,
nieuwe aarde,
wachttoren,
wereld
vrijdag 12 maart 2010
Theologie: De Zondvloed
Is er een zondvloed geweest?. Ik heb er veel over gelezen, om te beginnen in de bijbel. Uit al mijn leeswerk blijkt dat veel delen van de huidige aarde wel onder water hebben gestaan. Maar of dat nu komt door de zondvloed, zou ik niet durven zeggen. Maar goed, gelovigen die ik ontmoet en waar ik mee spreek beweren dat er wel degelijk een zondvloed is geweest. Zij beroepen zich hierbij op Genesis 6: 13-17 waarin het volgende staat.
En God zei tot Noach:”De dagen van de mensen zijn geteld, zij zijn er de schuld van dat de aarde vol gewelddaden is. Ik ga hen van de aarde vernietigen. Gij moet een ark van pijnhout bouwen, met riet moet gij de ark maken en ze van binnen en buiten met pek bestrijken. De ark moet 300 el lang zijn, vijftig el breed en dertig el hoog. Het dak moet één el nar buiten steken, in één van de zijden moet gij een deur maken ook moet gij een onderste een tweede en een derde ruim maken. Want ik sta op het punt een watervloed over de aarde te brengen, die alle levende wezens onder de hemel zal verdelgen….”
Dit is, volgens hun dan, het woord van God en daaraan kan niet getornd worden. Het is de letterlijke waarheid.
Maar stel dat de zondvloed het werk van God was en God Noach inderdaad opdroeg een ark te maken waarop hij van alle diersoorten een paartje zou moeten verzamelen, dan moet dat in de tijd die Noach kreeg een hels karwei zijn geweest. In Genesis 6: 19-20 krijgt Noach inderdaad die opdracht:
“Van alle levende wezensmoet gij verder één paar in de ark brengen, een mannelijk en een vrouwelijk dier moet het zijn. Van de verschillende soorten vogels, vee en kruipende dieren moet één paar met u meegaan om aldus in leven te blijven…”
God verbijzonderde deze opdracht in Genesis 7: 11-24.
“Neem van alle reine dieren zeven paar, telkens een mannetje en een wijfje, maar van de onreine dieren één paar. Ook van de vogels in de lucht zeven paar telkens een mannetje en een meisje. Zo zult ge hun soort in stand houden over de ganse aarde.”
Om deze opdracht uit te voeren kreeg Noach volgens Genesis 7: 4 zeven dagen de tijd.
Logisch nadenken hierover leert dat dit een onmogelijk opdracht is. Volgens geleerden zijn er op dit moment meer dan 30 miljoen soorten dieren op aarde. In de periode van Noach tot nu, zijn er ook erg veel dieren uitgestorven. Die rekenen we voor de makkelijkheid nu maar even niet mee. Uitgaande van die 30 miljoen komt dan de volgende rekensom. 7 dagen zijn 604.800 seconden. Delen we 30 miljoen door het aantal seconden van die zeven dagen, dan moet Noach in die zeven dagen bijna 50 dierparen per seconde aan boord gebracht hebben, een onmogelijke taak. Zouden we het aantal diersoorten halveren, omdat er veel dieren in zee leven, dan gaat het toch nog altijd om 25 dierparen per seconde die aan boord gebracht moeten worden. Ik twijfel dus sterk aan dit verhaal, u ook ?
En God zei tot Noach:”De dagen van de mensen zijn geteld, zij zijn er de schuld van dat de aarde vol gewelddaden is. Ik ga hen van de aarde vernietigen. Gij moet een ark van pijnhout bouwen, met riet moet gij de ark maken en ze van binnen en buiten met pek bestrijken. De ark moet 300 el lang zijn, vijftig el breed en dertig el hoog. Het dak moet één el nar buiten steken, in één van de zijden moet gij een deur maken ook moet gij een onderste een tweede en een derde ruim maken. Want ik sta op het punt een watervloed over de aarde te brengen, die alle levende wezens onder de hemel zal verdelgen….”
Dit is, volgens hun dan, het woord van God en daaraan kan niet getornd worden. Het is de letterlijke waarheid.
Maar stel dat de zondvloed het werk van God was en God Noach inderdaad opdroeg een ark te maken waarop hij van alle diersoorten een paartje zou moeten verzamelen, dan moet dat in de tijd die Noach kreeg een hels karwei zijn geweest. In Genesis 6: 19-20 krijgt Noach inderdaad die opdracht:
“Van alle levende wezensmoet gij verder één paar in de ark brengen, een mannelijk en een vrouwelijk dier moet het zijn. Van de verschillende soorten vogels, vee en kruipende dieren moet één paar met u meegaan om aldus in leven te blijven…”
God verbijzonderde deze opdracht in Genesis 7: 11-24.
“Neem van alle reine dieren zeven paar, telkens een mannetje en een wijfje, maar van de onreine dieren één paar. Ook van de vogels in de lucht zeven paar telkens een mannetje en een meisje. Zo zult ge hun soort in stand houden over de ganse aarde.”
Om deze opdracht uit te voeren kreeg Noach volgens Genesis 7: 4 zeven dagen de tijd.
Logisch nadenken hierover leert dat dit een onmogelijk opdracht is. Volgens geleerden zijn er op dit moment meer dan 30 miljoen soorten dieren op aarde. In de periode van Noach tot nu, zijn er ook erg veel dieren uitgestorven. Die rekenen we voor de makkelijkheid nu maar even niet mee. Uitgaande van die 30 miljoen komt dan de volgende rekensom. 7 dagen zijn 604.800 seconden. Delen we 30 miljoen door het aantal seconden van die zeven dagen, dan moet Noach in die zeven dagen bijna 50 dierparen per seconde aan boord gebracht hebben, een onmogelijke taak. Zouden we het aantal diersoorten halveren, omdat er veel dieren in zee leven, dan gaat het toch nog altijd om 25 dierparen per seconde die aan boord gebracht moeten worden. Ik twijfel dus sterk aan dit verhaal, u ook ?
Labels:
ark,
dieren,
genesis,
goden,
godsdienst,
noach,
noë,
oud verhaal,
water,
zondvloed
De meneer van de bijbelteksten
Adam en Eva hebben bestaan. Als hij dat zegt, heeft hij altijd een strijdvaardige blik in zijn ogen en na zo’n verklaring buigt hij licht zijn hoofd, zodat je in zijn grijze stijlhaar een groeiende kalende kruin kunt bedekken. En natuurlijk, Adam en Eva moeten van hem bestaan hebben. Zou dat niet zo zijn, dan is Jezus helemaal voor niets gekomen. Evolutie is daarom uit den boze. Elke keer als ik hem zie, vliegen de bijbelstellingen om mijn oren. Hij is in staat op alles dat je zegt een passend Bijbelcitaat te bedenken, ongeacht waar je het over hebt. Hij is christen in vol ornaat en hij laat dat weten door alleen maar daarover te praten. Ik verdenk hem er wel eens van dat hij de hele dag loopt te evangeliseren, maar als ik hem met die gedachte confronteer, dan wijst hij deze abrupt af.
We werken in een gebouw en we roken allebei wel eens een lekker sigaretje. Dat kun je niet op je werkplek doen dus moeten we daarvoor naar de rookruimte. Daar ontmoet ik hem dan en hij praat altijd over geloof. Zijn sigaretje is de enige zwakte in zijn leven immers volgens de bijbel moet je zorgen voor een gezond lichaam. Roken is dus duivels maar verwoedde pogingen om te stoppen hebben bij hem (nog) geen effect gehad. In de meest algemene gesprekken die we daar in die rookruimte voeren is hij in staat om in te breken met de kreet “Jezus Alleen!!!”. Vragen waarom hij dat doet heeft geen zin, want als je die vraag stelt, dan volgen er slechts Bijbelteksten die aantonen dat het inderdaad “Jezus Alleen” is.
Ik vind hem er eenzaam uitzien met zijn licht gebogen rug, zijn ietwat wiebelende stap en zijn enorme uitdrukking van onbegrip op zijn gezicht. Soms vraag ik me wel eens af hoe zijn leven is maar als ik daarover een vraag stel, dan wordt daar niet echt op geantwoord. In de loop van de jaren ben ik erachter gekomen dat hij twee keer is getrouwd en uit zijn eerste huwelijk 3 kinderen heeft. Hij ziet die kinderen nooit, of althans, heel erg weinig. Ooit heeft hij zich eens laten ontvallen dat zij, die kinderen dus, naar de hel zullen gaan. Zij hebben het geloof, zijn geloof dus, de rug toegekeerd. Ik kan me levendig voorstellen dat zijn kinderen dat hebben gedaan. Ik zou thuis schreeuwend zijn weggelopen als mijn vader de hele dag tegen me zou praten als hij. Het lijkt mij verschrikkelijk een vader te hebben die alleen maar uit de bijbel citeert. Ook roept hij wel eens “Een God, één doop en één geloof”. Die God is dan de God van de bijbel. De doop is dan de doop door onderdompeling, maar wat dan dat ene geloof is, dat zegt hij dan nooit. Als je daarop doorvraagt en doorzeurt merk je opnieuw dat hij op geen enkele vraag antwoord geeft maar bijbelse teksten aanhaalt. Zelfs die bijbelse teksten zijn dan letterlijk. Hij heeft er geen enkele persoonlijke inkleuring aan. Als je dan vraagt: “maar naar welke kerk zou ik dan moeten gaan om dat ene geloof te vinden” en blijft doorvragen, komt er uiteindelijk iets reformatorisch uit zoals de gereformeerde gemeente of de gereformeerd vrijgemaakte kerk. Naar welke kerk hij gaat wil hij echter niet zeggen maar voor hem is zondagsrust ook echt zondagsrust en is de bijbel waar van kaft tot kaft. Geloof daar kies je dan ook niet zelf voor. Geloof is door God gegeven zonder dat je enige inbreng daarbij hebt. Alles op aarde verloopt volgens Gods wil en met welk afgrijselijk voorbeeld je dan ook komt, het is en blijft Gods wil. God plant ook alle geboorten zelfs die van baby’s die op grond van een gewelddadige verkrachting ter wereld komen. Allemaal Gods wil.
We hebben hem te tolereren in de rookruimte. Tenslotte werkt hij ook in dat gebouw, war meerdere bedrijven gevestigd zijn. Wat hij doet weten we niet, maar dat hij ergens op de veertiende verdieping zit, dat is bekend. Hoe hij aan zijn rotsvaste letterlijke en door Gods wil opgelegde geloof is gekomen, dat is de vraag. Als ik hem eens alleen in de rookruimte aantref gaat hij me iets vertellen over wedergeboorte. “Alleen wedergeboren christenen zullen gered worden”, stelt hij met de grootste zekerheid van de wereld. “Maar”, vraag ik dan, “hoe weet je dan dat je wedergeboren ben en wie bepaalt dat je wedergeboren bent?”, ik heb direct zpijt dat ik deze vraag stel want er zal nu wel weer een Bijbelcitaat komen en inderdaad ik heb gelijk. Maar direct na dat Bijbelcitaat zegt hij: “Dat weet je gewoon. Je weet vanzelf dat je wedergeboren bent. Je voelt het, je beseft het. Als je wedergeboren bent dan ben je gered”. “Ook als je daarna de grootste zonden van de wereld uithaalt” vraag ik met enig sarcasme in mijn stem. Hij let niet op mijn toon, maar bevestigd wat ik wil weten. “Ja”, zegt hij bedachtzaam, “dan ook. Als wedergeboren Christen doe je geen zonden meer althans je probeert zo goed mogelijk te leven en als je dan toch een zonde doet dan is die je direct vergeven, vanwege je wedergeboorte”. “Maar… wanneer ben jij dan wedergeboren?”, vraag ik wetend dat ik nu weer in zijn stramien zit te praten. Ik stel de vraag en hij geeft het ware antwoord. Terwijl ik wacht op een Bijbeltekst zegt hij opeens: “toen ik 5 jaar was. Mams zat piano te spelen in de voorkamer. Ze speelde psalmen en ik, speelde in de achterkamer. Mams horen spelen was erg mooi. Ik ging helemaal mee in de muziek en toen… toen was er opeens een groot licht boven me. Ik kneep mijn ogen dicht en toen ik ze weer opendeed, stond Heere Jezus voor me. Hij nam me in zijn armen en ik wist dat ik hem voor altijd toebehoorde. Dat was mijn wedergeboorte in Jezus.
Ik kon het me helemaal voorstellen. Een kind volgepropt met de bijbel, levend in een bijbels gezin, krijgt een visioen. Zoiets blijft altijd bij zo’n kind. Zelf herinner me ik nog spirituele dromen die ik had toen ik kind was en waarvan ik dacht dat ze echt waren. Hij heeft dat dus ook. Ik bedenk dat dat visioen het moment is geweest dat hij de werkelijkheid verliet en een leven ging leiden dat volgens hem “In Jezus” is geweest. Het resultaat van dat leven staat voor me. Iemand die zichzelf is vergeten en zich heeft verloren in een boek, de bijbel. Iemand die dagelijks eenzaam is. Iemand die helemaal niet kan praten over een gezellige zomerdag of het genieten van een lekkere maaltijd. Het is bijbel voor- en bijbel na. En dan te bedenken dat hij juist daardoor van zijn kinderen en kleinkinderen vervreemdde. Nee, zijn leven zou de mijne niet zijn.
We werken in een gebouw en we roken allebei wel eens een lekker sigaretje. Dat kun je niet op je werkplek doen dus moeten we daarvoor naar de rookruimte. Daar ontmoet ik hem dan en hij praat altijd over geloof. Zijn sigaretje is de enige zwakte in zijn leven immers volgens de bijbel moet je zorgen voor een gezond lichaam. Roken is dus duivels maar verwoedde pogingen om te stoppen hebben bij hem (nog) geen effect gehad. In de meest algemene gesprekken die we daar in die rookruimte voeren is hij in staat om in te breken met de kreet “Jezus Alleen!!!”. Vragen waarom hij dat doet heeft geen zin, want als je die vraag stelt, dan volgen er slechts Bijbelteksten die aantonen dat het inderdaad “Jezus Alleen” is.
Ik vind hem er eenzaam uitzien met zijn licht gebogen rug, zijn ietwat wiebelende stap en zijn enorme uitdrukking van onbegrip op zijn gezicht. Soms vraag ik me wel eens af hoe zijn leven is maar als ik daarover een vraag stel, dan wordt daar niet echt op geantwoord. In de loop van de jaren ben ik erachter gekomen dat hij twee keer is getrouwd en uit zijn eerste huwelijk 3 kinderen heeft. Hij ziet die kinderen nooit, of althans, heel erg weinig. Ooit heeft hij zich eens laten ontvallen dat zij, die kinderen dus, naar de hel zullen gaan. Zij hebben het geloof, zijn geloof dus, de rug toegekeerd. Ik kan me levendig voorstellen dat zijn kinderen dat hebben gedaan. Ik zou thuis schreeuwend zijn weggelopen als mijn vader de hele dag tegen me zou praten als hij. Het lijkt mij verschrikkelijk een vader te hebben die alleen maar uit de bijbel citeert. Ook roept hij wel eens “Een God, één doop en één geloof”. Die God is dan de God van de bijbel. De doop is dan de doop door onderdompeling, maar wat dan dat ene geloof is, dat zegt hij dan nooit. Als je daarop doorvraagt en doorzeurt merk je opnieuw dat hij op geen enkele vraag antwoord geeft maar bijbelse teksten aanhaalt. Zelfs die bijbelse teksten zijn dan letterlijk. Hij heeft er geen enkele persoonlijke inkleuring aan. Als je dan vraagt: “maar naar welke kerk zou ik dan moeten gaan om dat ene geloof te vinden” en blijft doorvragen, komt er uiteindelijk iets reformatorisch uit zoals de gereformeerde gemeente of de gereformeerd vrijgemaakte kerk. Naar welke kerk hij gaat wil hij echter niet zeggen maar voor hem is zondagsrust ook echt zondagsrust en is de bijbel waar van kaft tot kaft. Geloof daar kies je dan ook niet zelf voor. Geloof is door God gegeven zonder dat je enige inbreng daarbij hebt. Alles op aarde verloopt volgens Gods wil en met welk afgrijselijk voorbeeld je dan ook komt, het is en blijft Gods wil. God plant ook alle geboorten zelfs die van baby’s die op grond van een gewelddadige verkrachting ter wereld komen. Allemaal Gods wil.
We hebben hem te tolereren in de rookruimte. Tenslotte werkt hij ook in dat gebouw, war meerdere bedrijven gevestigd zijn. Wat hij doet weten we niet, maar dat hij ergens op de veertiende verdieping zit, dat is bekend. Hoe hij aan zijn rotsvaste letterlijke en door Gods wil opgelegde geloof is gekomen, dat is de vraag. Als ik hem eens alleen in de rookruimte aantref gaat hij me iets vertellen over wedergeboorte. “Alleen wedergeboren christenen zullen gered worden”, stelt hij met de grootste zekerheid van de wereld. “Maar”, vraag ik dan, “hoe weet je dan dat je wedergeboren ben en wie bepaalt dat je wedergeboren bent?”, ik heb direct zpijt dat ik deze vraag stel want er zal nu wel weer een Bijbelcitaat komen en inderdaad ik heb gelijk. Maar direct na dat Bijbelcitaat zegt hij: “Dat weet je gewoon. Je weet vanzelf dat je wedergeboren bent. Je voelt het, je beseft het. Als je wedergeboren bent dan ben je gered”. “Ook als je daarna de grootste zonden van de wereld uithaalt” vraag ik met enig sarcasme in mijn stem. Hij let niet op mijn toon, maar bevestigd wat ik wil weten. “Ja”, zegt hij bedachtzaam, “dan ook. Als wedergeboren Christen doe je geen zonden meer althans je probeert zo goed mogelijk te leven en als je dan toch een zonde doet dan is die je direct vergeven, vanwege je wedergeboorte”. “Maar… wanneer ben jij dan wedergeboren?”, vraag ik wetend dat ik nu weer in zijn stramien zit te praten. Ik stel de vraag en hij geeft het ware antwoord. Terwijl ik wacht op een Bijbeltekst zegt hij opeens: “toen ik 5 jaar was. Mams zat piano te spelen in de voorkamer. Ze speelde psalmen en ik, speelde in de achterkamer. Mams horen spelen was erg mooi. Ik ging helemaal mee in de muziek en toen… toen was er opeens een groot licht boven me. Ik kneep mijn ogen dicht en toen ik ze weer opendeed, stond Heere Jezus voor me. Hij nam me in zijn armen en ik wist dat ik hem voor altijd toebehoorde. Dat was mijn wedergeboorte in Jezus.
Ik kon het me helemaal voorstellen. Een kind volgepropt met de bijbel, levend in een bijbels gezin, krijgt een visioen. Zoiets blijft altijd bij zo’n kind. Zelf herinner me ik nog spirituele dromen die ik had toen ik kind was en waarvan ik dacht dat ze echt waren. Hij heeft dat dus ook. Ik bedenk dat dat visioen het moment is geweest dat hij de werkelijkheid verliet en een leven ging leiden dat volgens hem “In Jezus” is geweest. Het resultaat van dat leven staat voor me. Iemand die zichzelf is vergeten en zich heeft verloren in een boek, de bijbel. Iemand die dagelijks eenzaam is. Iemand die helemaal niet kan praten over een gezellige zomerdag of het genieten van een lekkere maaltijd. Het is bijbel voor- en bijbel na. En dan te bedenken dat hij juist daardoor van zijn kinderen en kleinkinderen vervreemdde. Nee, zijn leven zou de mijne niet zijn.
Labels:
bijbel,
bijbels,
geloof,
geloofsbeleving,
geloven,
godsdienst,
wedergeboorte,
wedergeboren
donderdag 11 maart 2010
Van demonen bevrijd
Ze zat in het restaurant tegenover me en ik zag dat ze af en toe onhandig met een zakdoekje haar ogen afdroogde. “Zou ze huilen?”, vroeg ik me af en terwijl ze aan haar koffie nipte keek ze me aan. Ze huilde inderdaad en ze zag dat ik haar kant op keek. Ze schrok een beetje en ik zag dat ze wat tegen me ging zeggen. “Sorry ik kan er ook niks aan doen”, zei ze schuldig. “Het geeft niet hoor”probeerde ik te sussen. “Huilen is menselijk”. “Maar niet in een restaurant”, antwoordde ze, terwijl ze opnieuw met het papieren zakdoekje langs haar ogen wreef. “Het is ook verschrikkelijk wat er gebeurd is” vervolgde ze en ze nam de laatste slok van haar witte kopje koffie en zette het kopje behoedzaam op het schoteltje voor haar neer. Ze keer even in het rond alsof ze over een belangrijke gedachte een beslissing nemen. Toen hervatte ze het gesprek. “Het is mijn man waar het goed mis mee is” en ik zak dat er opnieuw tranen in haar ogen opkwamen. Ik verwisselde van stoel zodat ik dichter bij haar zat en draaide mijn stoel zo dat ik haar goed kon aankijken. “Wilt u nog een kopje koffie”, vroeg ik aarzelend terwijl ik mijn hand op haar arm legde. “Nee dank u”antwoordde ze, “dat zou niet goed voor mijn maag zijn”. “Weet u”, vervolgde ze, “wij zijn heel erg gelovig, heel erg gelovig.” Vanwege die dubbele benadrukking ging ik ervan uit dat ze ook heel erg gelovig moest zijn. Ze keek me weer recht in de ogen. Ik zag een lieve, hele gewone vrouw met een vriendelijk gezicht. Haar strakke lippen waren stijf opeengeklemd en haar handen beefden een beetje. “Ik heb mijn man bijna veertig jaar geleden ontmoet”, ging ze verder. “Het is een heel lieve man. Hij is altijd goed voor me geweest. Toen al hoorde hij stemmen, maar ja, wat wil je, hij was jong, dus hij kon er gewoon geen aandacht aan schenken. We zijn er toen ook wel mee naar een psycholoog geweest, maar die zei toen dat we ons geen zorgen hoefden te maken. We hebben samen een fijn leven gehad. Daar dank ik God voor. Alleen de laatste jaren nemen de stemmen in zijn hoofd toe en krijgt hij er last van. Heel erg veel last. Hij slaapt er niet van en terwijl ze vroeger gewone dingen tegen hem zeiden, vloeken en tieren ze de laatste jaren”. Daarom zijn we weer naar een psychiater gegaan waar hij medicijnen kreeg. Maar toen hij die medicijnen innam wat hij Frits niet meer. Hij werd er leeg en uitgeblust van. Hij leefde niet meer. Hij is er dus maar mee gestopt. Ik heb liever een man dan een levenloze dooie pop in de huiskamer zitten toch?”. Ze keek me vragend aan en ik beaamde haar laatste uitspraak. “Maar”, vervolgde ze haar verhaal, “toen kwam er iemand bij ons in de kerk preken. Het ging over demonen en dat je daardoor bezeten kon worden. Die demonen maken dan ook de stemmen die je in je hoofd hoort. Die mevrouw vertelde dat je daarvan bevrijd kon worden. Zij was van het bevrijdingspastoraat. Je hoefde alleen op een speciale manier je leven en je zonden bij Jezus neer te leggen en hem te vragen je te bevrijden. Dan zou alles over gaan. Nou dat hebben we dus maar gedaan. Mijn man was blij dat het zo kon. Niet slapen is toch ook niet alles.
Ze stopte even. Ik maakte van de gelegenheid gebruik om haar een drankje aan te bieden. “Een kopje thee dan maar”, zei ze bescheiden. Ik wenkte de ober en bestelde een thee en een tonic.
“Maar hoe is het nu dan”, vroeg ik geïnteresseerd. “Nou”, zei ze, “hij is dus met die mevrouw in zee gegaan. Eerst praten over demonen en dan een bevrijdingsgebed bidden en Jezus vragen om je te helpen. Dat hebben ze een paar keer gedaan, maar het hielp niets. De stemmen bleven. En na een maand of twee begon die mevrouw kriegelig te worden. Ze zei dat hij niet echt meewerkte. Dat zijn geloof in de Heere Jezus onvoldoende was en dat het zo dus nooit zou lukken. Ik was daar niet bij. Anders had ik haar laten weten wat ik van haar vond. Nu kreeg ik een man terug die gebroken was. Zijn geloof is heel zijn leven alles voor hem geweest en zij heeft hem aan het twijfelen gebracht. Zij heeft hem de gedachte gegeven dat hij zijn hele leven heeft zitten liegen en dat Jezus zich van hem zou hebben afgewend. Hij was er kapot van. Die nacht heeft hij helemaal niet meer geslapen en de volgende nachten ook niet. Het ging steeds slechter. De stemmen werden harder en harder en op een gegeven moment zat ie alleen maar te huilen. Toen ben ik met hem naar de psychiater gegaan en hij heeft medicijnen gekregen. Maar ook dat hielp niet en het ging steeds slechter en slechter met hem. Hij wilde zelfs niet meer naar de kerk. Op een dag brak hij. Heeft u wel eens een man zien breken meneer. Ze stopte om even te slikken en nam een flinke slok van de thee die voor haar neer was gezet. “Nee zei ik”, dat heb ik nooit gezien.
“Weet u wat die mevrouw gedaan heeft”, zei ze vinnig. “Zij heeft zijn geloof en zijn leven van hem afgenomen. Zij heeft hem laten geloven dat de duivel in hem zit. In mijn man. Mijn lieve man. Mijn zachte man die nog nooit een vlieg kwaad heeft gedaan. En nu zit hij voorlopig in een tehuis waar hij therapie krijgt en het gaat heel erg slecht met hem. Weet u meneer. Die mevrouw, die bevrijdingspastores, of hoe je het ook noemt. Die is door de duivel bezeten”. Ik zuchtte en zei: “ik denk dat u gelijk heeft mevrouw”. Toen stond ze op en gaf me een hand. “dank u dat u naar me heeft willen luisteren meneer en dank u voor de thee” zei ze en er verscheen een kleine glimlach op haar samengeperste glimlach. Ze draaide zich daarna om en liep het restaurant uit.
Ze stopte even. Ik maakte van de gelegenheid gebruik om haar een drankje aan te bieden. “Een kopje thee dan maar”, zei ze bescheiden. Ik wenkte de ober en bestelde een thee en een tonic.
“Maar hoe is het nu dan”, vroeg ik geïnteresseerd. “Nou”, zei ze, “hij is dus met die mevrouw in zee gegaan. Eerst praten over demonen en dan een bevrijdingsgebed bidden en Jezus vragen om je te helpen. Dat hebben ze een paar keer gedaan, maar het hielp niets. De stemmen bleven. En na een maand of twee begon die mevrouw kriegelig te worden. Ze zei dat hij niet echt meewerkte. Dat zijn geloof in de Heere Jezus onvoldoende was en dat het zo dus nooit zou lukken. Ik was daar niet bij. Anders had ik haar laten weten wat ik van haar vond. Nu kreeg ik een man terug die gebroken was. Zijn geloof is heel zijn leven alles voor hem geweest en zij heeft hem aan het twijfelen gebracht. Zij heeft hem de gedachte gegeven dat hij zijn hele leven heeft zitten liegen en dat Jezus zich van hem zou hebben afgewend. Hij was er kapot van. Die nacht heeft hij helemaal niet meer geslapen en de volgende nachten ook niet. Het ging steeds slechter. De stemmen werden harder en harder en op een gegeven moment zat ie alleen maar te huilen. Toen ben ik met hem naar de psychiater gegaan en hij heeft medicijnen gekregen. Maar ook dat hielp niet en het ging steeds slechter en slechter met hem. Hij wilde zelfs niet meer naar de kerk. Op een dag brak hij. Heeft u wel eens een man zien breken meneer. Ze stopte om even te slikken en nam een flinke slok van de thee die voor haar neer was gezet. “Nee zei ik”, dat heb ik nooit gezien.
“Weet u wat die mevrouw gedaan heeft”, zei ze vinnig. “Zij heeft zijn geloof en zijn leven van hem afgenomen. Zij heeft hem laten geloven dat de duivel in hem zit. In mijn man. Mijn lieve man. Mijn zachte man die nog nooit een vlieg kwaad heeft gedaan. En nu zit hij voorlopig in een tehuis waar hij therapie krijgt en het gaat heel erg slecht met hem. Weet u meneer. Die mevrouw, die bevrijdingspastores, of hoe je het ook noemt. Die is door de duivel bezeten”. Ik zuchtte en zei: “ik denk dat u gelijk heeft mevrouw”. Toen stond ze op en gaf me een hand. “dank u dat u naar me heeft willen luisteren meneer en dank u voor de thee” zei ze en er verscheen een kleine glimlach op haar samengeperste glimlach. Ze draaide zich daarna om en liep het restaurant uit.
Voor mezelf en voor God
Daar stond ze, recht voor het centraal station Amsterdam. Een oudere zwarte vrouw van zeker 65 jaar op een koude maartse dag in de stromende koude regen. Ze was gekleed in een dik gevoerd donkergroen sky-achtig windjack met een hele dikke rode wollen das, die ze drie keer om haar nek geslagen had. Ze had een lange grijsgele rok aan van een soort dikke stof, die tot haar enkels reikte. Op die rok zaten dikke boerengroene strepen, die van haar taille naar beneden liepen. Ze droeg houten sandalen en had haar voeten ingepakt met extra dikke geitenwollen sokken, misschien wel 2 paar over elkaar heen. In haar linkerhand een grote donkerblauwe paraplu, die haar tegen de regen beschermde en in haar rechterhand een bijbel die ze tegen haar linkerborst aan klemde.
Ik hoorde haar al van ver. “Het is niet te laat” was haar boodschap. “De Heer heeft geduld en wacht op u!!”, schreeuwde ze. Voor haar stond een bord met een Bijbeltekst uit Korintiërs. Dat God de mens zo leef heeft, dat Hij zijn eigen zoon offerde en daaronder een door rode letters benadrukte tekst “HET IS NIET TE LAAT”. En dat was de boodschap dus. “Het is niet te laat en God heeft u lief. U kunt nu voor Hem kiezen”.
Vanachter haar ziekenfondsbrilletje keek ze trots om zich heen. Telkens weer haar teksten roepend, met een brede grijns op haar gezicht. Ze draaide haar hoofd van links naar rechts en volgde met haar ogen de snel passerende mensen die langsliepen. Mensen die of de trein moesten halen, of snel ergens op een belangrijke afspraak in de stad moesten zijn. Of mensen die niet wensten nat te regenen in de heersende maartse kletterbui. Hoe dan ook, niemand bleef staan om te luisteren, behalve ik dan. Ik vond het de moeite waard om een foto te maken van dit prachtige tafareel. Een bevlogen oude zwarte vrouw die tegen kou, regen en wind gewapend het woord van God verkondigde, met een brede glimlach, terwijl niemand luisterde.
Ik vroeg haar of dat mocht en ze gaf lachend toestemming. Ik schoot eerst een stuk of wat plaatjes die het geheel weergaven en daarna wat close ups van haar gezicht. Zij werkte prima mee, keek in de camera als een volleerd fotomodel, maar bleef roepen. Na twintig foto’s dankte ik haar en vroeg of zij de foto’s toegezonden wilde hebben. Zij wilde dat niet. Om mijn toestel af te drogen en op te bergen ging ik even onder de paraplu staan. “Maakt u veel foto’s” vroeg ze belangstellend met een vet Surinaams accent. “Ach”, opperde ik, “het is een hobby van me. Van de foto’s die ik nu heb gemaakt komt er een in een krantje in mijn woonplaats, een kerkelijk krantje”. Ze lachte daarom en ik maakte op dat ze dat erg leuk vond. “Maar”, vroeg ik wat aarzelend, een beetje bang dat ik dit onderwerp niet zo mogen aansnijden, “waarom staat u hier eigenlijk. Niemand luistert naar u, iedereen loopt door. Voor wie doet u dit”. Heel even was het stil daar voor het station ook al tetterde het stadse geluid je van alle kanten in de oren. Ik keek haar aan en zag haar ogen vol pret schieten. Toen barstte ze in schateren uit. “Voor wie denkt u dat ik dit doe dan meneer”, grapte ze. “Voor God? “opperde ik. “Neeeeee schreeuwde ze uit met een pretstem”, ik doe dit voor mezelf. Ik vind het leuk om te doen en het is nodig om de mensen te waarschuwen. En God.. en ze greinste, kijkt naar me en lacht.”
De ratelende bel van een tram maakte deze verklaring af. Ik begreep haar.
Ik hoorde haar al van ver. “Het is niet te laat” was haar boodschap. “De Heer heeft geduld en wacht op u!!”, schreeuwde ze. Voor haar stond een bord met een Bijbeltekst uit Korintiërs. Dat God de mens zo leef heeft, dat Hij zijn eigen zoon offerde en daaronder een door rode letters benadrukte tekst “HET IS NIET TE LAAT”. En dat was de boodschap dus. “Het is niet te laat en God heeft u lief. U kunt nu voor Hem kiezen”.
Vanachter haar ziekenfondsbrilletje keek ze trots om zich heen. Telkens weer haar teksten roepend, met een brede grijns op haar gezicht. Ze draaide haar hoofd van links naar rechts en volgde met haar ogen de snel passerende mensen die langsliepen. Mensen die of de trein moesten halen, of snel ergens op een belangrijke afspraak in de stad moesten zijn. Of mensen die niet wensten nat te regenen in de heersende maartse kletterbui. Hoe dan ook, niemand bleef staan om te luisteren, behalve ik dan. Ik vond het de moeite waard om een foto te maken van dit prachtige tafareel. Een bevlogen oude zwarte vrouw die tegen kou, regen en wind gewapend het woord van God verkondigde, met een brede glimlach, terwijl niemand luisterde.
Ik vroeg haar of dat mocht en ze gaf lachend toestemming. Ik schoot eerst een stuk of wat plaatjes die het geheel weergaven en daarna wat close ups van haar gezicht. Zij werkte prima mee, keek in de camera als een volleerd fotomodel, maar bleef roepen. Na twintig foto’s dankte ik haar en vroeg of zij de foto’s toegezonden wilde hebben. Zij wilde dat niet. Om mijn toestel af te drogen en op te bergen ging ik even onder de paraplu staan. “Maakt u veel foto’s” vroeg ze belangstellend met een vet Surinaams accent. “Ach”, opperde ik, “het is een hobby van me. Van de foto’s die ik nu heb gemaakt komt er een in een krantje in mijn woonplaats, een kerkelijk krantje”. Ze lachte daarom en ik maakte op dat ze dat erg leuk vond. “Maar”, vroeg ik wat aarzelend, een beetje bang dat ik dit onderwerp niet zo mogen aansnijden, “waarom staat u hier eigenlijk. Niemand luistert naar u, iedereen loopt door. Voor wie doet u dit”. Heel even was het stil daar voor het station ook al tetterde het stadse geluid je van alle kanten in de oren. Ik keek haar aan en zag haar ogen vol pret schieten. Toen barstte ze in schateren uit. “Voor wie denkt u dat ik dit doe dan meneer”, grapte ze. “Voor God? “opperde ik. “Neeeeee schreeuwde ze uit met een pretstem”, ik doe dit voor mezelf. Ik vind het leuk om te doen en het is nodig om de mensen te waarschuwen. En God.. en ze greinste, kijkt naar me en lacht.”
De ratelende bel van een tram maakte deze verklaring af. Ik begreep haar.
woensdag 10 maart 2010
De wonderen zijn ..
Eind februari. Het is 14.00 uur en erg koud, Het heeft een beetje gesneeuwd, maar gelukkig is de autoweg niet glad. Er is ook geen file op de A4 richting Den Haag. Het nieuws op de radio brengt schandalen in de rooms katholieke kerk. Er zijn vroeger veel kinderen misbruikt in internaten en dat blijkt nu pas naar buiten te komen. Wel misdrijven, maar allemaal verjaard. Mijn gedachte gaat naar van Wonderen, de man die ik ga bezoeken. Ik ontmoette hem zo’n zeven en veertig jaar geleden. Ik was toen “jongste bediende” op een kantoor, werd bevorderd en kreeg ander werk. Ik was zeventien jaar. Hij was 43 en nam mijn werk over. Ik herinner me dat hij aan mij werd voorgesteld. Een magere man met knokige armen en zwaaibenen en een verwilderd bosje krulhaar op zijn hoofd, die vanachter een dikke bril de wereld aanschouwde. Schommelzwaaiend kwam hij met een uitgestoken arm op mij af. “Ik ben van Wonderen” zei hei met een schetterende schaterlach die direct gevolgd werd met “Ja ja, de wonderen zijn de wereld nog niet uit”. En natuurlijk moest ik hem aan het hele kantoor voorstellen. Een jongste bediende werkt immers voor iedereen. Meer dan 200 mensen heeft hij een hand gegeven. Meer dan 200 keer waren de wonderen de wereld nog niet uit. Meer dan 200 keer die schetterende schaterlach. Het was maar een raar mannetje. In de tijd daarna, waarin ik hem moest inwerken, leerde ik hem beter kennen. Altijd vrolijk. Altijd in voor een geintje en vol van verhalen. Verhalen over de tijd dat hij in een internaat van broeders had gezeten. Het waren vrolijke verhalen, maar ook verhalen waar je haren recht van overeind gingen staan.
De vrolijke verhalen gingen over voetbal. Hij vertelde ze telkens weer. Hij werd Radja genoemd, omdat hij zo snel en wendbaar was. En dan was er Leo Bolle een zware man die wel hard kon lopen, maar nooit kon stoppen. Leo Bolle liep steevast het cornervlaggetje ondersteboven. Ook was er een lange spil. Ja, wel lang, maar hij kon niet koppen. Dan vroeg die spil aan Radja, “hoe doe jij dat toch altijd, die doelpuntjes maken”. Hij vroeg naar de bekende weg want Radja zei dan: “man, dat is omdat ik wel kan koppen”.
De trieste verhalen gingen over de straffen die de broeders de kinderen en ook hem oplegden. A;ls je in bed plaste, dan kreeg je een dag geen water of werd je opgesloten in de wc. Soms had je dan zo’n dorst, dat je je dorst leste met het wc water. En was je stout geweest, dan kon je met het altaarmissaal in je handen, buiten gaan staan. Met je blote voeten in de sneeuw. Zo lang dat je voeten er blauw van werden. En was je verschrikkelijk stout geweest, dan kon je bij een dode non worden opgesloten voor één nacht. Dat zou een heilzame werking hebben op je ziel. Als van Wonderen deze verhalen vertelde, was er een uitdrukking van onbegrip op zijn gezicht. Ook als hij vertelde hoe sommige broeders je afranselden of je in je geslachtsdelen knepen. Vroeg je daarop door, dan zweeg van Wonderen stil. We lachten ons rot als hij de broeders namen gaf. Broeder beul, broeder Bonaficus, Broeder Knijpkat, Broeder Graaier en Broeder Stinkdier. De namen spraken boekdelen.
Het verhaal dat het meeste indruk op me maakte was het verhaal van zijn eerste baantje. Als vijftienjarige jongen mocht hij helpen bij een brood- en banketbakker. Hij kreeg daarvoor een fiets met een mand voorop. Op die fiets moest hij bestellingen wegbrengen. Broodjes en heerlijk wittebrood. Zoiets kreeg je in het internaat nooit. Daar was het brood altijd hard en oud, terwijl de broeders altijd het beste van het beste hadden. Dus zodra hij met een mandfiets vol heerlijkheden werd losgelaten, reed hij naar het internaat en deelde op de speelplaats alles uit. “Ik had niets geleerd over het mijn en dijn”besloot hij dit verhaal dan verontschuldigend om er dan achteraan te zeggen… “Johhhhh maar het was lekker johhhh”.
In de loop der tijd leerde ik hem kennen en werd het een beetje mijn vriend. Onder de vrolijke laag die hij tentoon spreidde, zat een ietwat domme doodgoeie man met levensgrote problemen. Als kind van een hoer was hij terechtgekomen in het internaat Groenestein in Den Haag, alwaar hij aan de broeders was overgeleverd. Daar leerde hij helemaal niets van het leven, om vervolgens het internaat te ontvluchten door te tekenen voor de waffen-SS. Geen bewuste keuze, maar een vlucht. Na de oorlog trouwde hij. Maar zijn huwelijk liep al snel stuk. Toch hadden ze 3 kinderen gekregen, die hij niet mocht zien. Daar kwam ik pas achter toen hij werd opgepakt door de politie en niet op kantoor verscheen. Hij was zijn dochter gaan bezoeken, maar mocht haar niet zien. Uit onmacht heeft hij toen en steen gepakt en bij het gezin waar zijn dochter verbleef door het raam gegooid, met alle gevolgen van dien.
Dammen kon hij als de beste. Waarschijnlijk veel getraind in het internaat. Ik leerde hem bijarten en heel langzaam werden we iets meer dan collega’s. Mijn carrière en mijn daaruit voortvloeiende sollicitaties dreven ons uit elkaar. Ik zag hem nog maar weinig. Dat beperkte zich uiteindelijk tot af en toe bij ons op visite komen. Dan aten we lekker en bleef hij slapen. Maar ook dit stopte.
De laatste keer dat ik hem zag, was tien jaar geleden. Ik had hem uitgenodigd als eregast op mijn werk-jubileum. Op de receptie heeft hij honderduit gepraat. Alle oude verhalen passeerden de revue. Uiteraard waren het alleen de lollige verhalen die hij vertelde.
Nu rijd ik weer naar hem toe. Ik heb zijn telefoonnummer opgezocht en gevonden en hem gebeld. d. Ik kreeg hem direct aan de lijn, maar volgens mij begreep hij niet zo goed wie ik was. Toch maakten we een afspraak. Ik parkeer mijn auto op de parkeerplaats van het bejaardenoord waar van Wonderen woont en loop naar binnen. De receptioniste vertelt me dat hij op de eerste etage, kamer 114 woont en dat ik zomaar door mag lopen naar boven. Het is vijf voor vier in de middag. Als ik de gang inloop hoor ik in de verte keiharde muziek. Ave Maria, gezongen door een koor. Als ik doorloop blijkt die muziek inderdaad uit zijn kamer te komen. Het staat zo hard dat zijn deur een beetje trilt. Op de achtergrond hoor ik hem meekreunen. Ik klop op de deur maar krijg geen reactie. Dan bonk ik keihard op de deur maar ook dat helpt niet. Ik besluit te wachten tot het liedje is opgehouden en zodra het liedje stopt bonk ik keihard op de deur. Ik hoor geschuifel en voordat de deur geopend word, vangt een nieuw lied Marialied aan. Dan doet van Wonderen zijn deur open. Hij kijkt me aan en schijnt na te denken. Dan zie ik dat er enige herkenning is en ik mag binnenkomen. Hij zet de muziek uit.
We zitten een paar minuten stil tegenover elkaar. Ik kom niet verder dan te zeggen: “Goh, das een tijd geleden zeg”.. “Ik woon hier mooi” zegt hij dan plotseling en hij wijst door het raam naar buiten. We kijken op een groen gazon, half omringd met grote bomen. “Er Zitten veel vogels in die bomen” zegt hij dan en vervolt “ik woon hier mooi. Eerst wilde ik hier niet heen, maar ik woon hier mooi”.
Ik refereer aan onze vroegere werkkring, maar hij gaat daar niet echt op in. Behalve dan dat hij zegt dat “Juultje” al heel lang dood is. Ik vraag hoe oud hij is en veen kijkt ie trots als hij zegt “negen en tachtig”. Dan begint hij te vertellen hoe hij een stoma heeft gekregen. Prostaatkanker. “Mar het is wel gemakkelijk, ik kan nu naar de wc als ik dat wil”. Er wordt helemaal niks meer gezegd over Leo Bolle en Kleine Muis en ook niet over de broeders. Als ik broeder Bonaficus noem, gaat hij daar niet op in. “Nee ik woon hier mooi.. kijk, als ik die kant op ga ben ik zo in Scheveningen”.. Nee niet nu. Nu is het te koud, maar straks als het weer mooi weer is.
“Ik hoorde net Maria muziek” zeg ik om het gesprek op gang te houden. Hij staat op, loopt naar drie schilderijtjes die aan de muur hangen en waarop Maria is te zien en zegt: “Mooie muziek, maar die hele Maria is nep. Ach, je werd vroeger zo voor de gek gehouden met die mooie sprookjes en plaatjes”en hij wijst op de schilderijtjes om zijn woorden kracht bij te zetten. “Ik heb een mooie kleurentelevisie”zegt hij dan en hij loopt naar het toestel en zet hem aan. Op dat moment is er net een journaaluitzending waarop het misbruiknieuws uit de katholieke internaten wordt verkondigd. Even luistert hij aandachtig en als het bericht klaar is doet hij de TV weer uit. Dan is het even erg stil. Hij tuurt naar buiten en brengt zijn hand naar zijn hoofd. “Pfoeeee” zegt hij dan, daar wordt een beerput opengetrokken. Ze weten niet half wat die smeerkezen hebben uitgevreten”. Dan gaat hij weer zitten. “Ja, zegt ie ineens, eerst wilde ik hier niet naar toe, maar toch, het is erg mooi hier”. “Zullen we een hapje gaan eten vraag ik”, hij antwoord niet, staat op en loopt zwijgend naar de kapstok en pakt zijn jas. Voor mij is dat het teken om op te staan. Hij trekt zijn jas aan en we lopen samen naar buiten.
De vrolijke verhalen gingen over voetbal. Hij vertelde ze telkens weer. Hij werd Radja genoemd, omdat hij zo snel en wendbaar was. En dan was er Leo Bolle een zware man die wel hard kon lopen, maar nooit kon stoppen. Leo Bolle liep steevast het cornervlaggetje ondersteboven. Ook was er een lange spil. Ja, wel lang, maar hij kon niet koppen. Dan vroeg die spil aan Radja, “hoe doe jij dat toch altijd, die doelpuntjes maken”. Hij vroeg naar de bekende weg want Radja zei dan: “man, dat is omdat ik wel kan koppen”.
De trieste verhalen gingen over de straffen die de broeders de kinderen en ook hem oplegden. A;ls je in bed plaste, dan kreeg je een dag geen water of werd je opgesloten in de wc. Soms had je dan zo’n dorst, dat je je dorst leste met het wc water. En was je stout geweest, dan kon je met het altaarmissaal in je handen, buiten gaan staan. Met je blote voeten in de sneeuw. Zo lang dat je voeten er blauw van werden. En was je verschrikkelijk stout geweest, dan kon je bij een dode non worden opgesloten voor één nacht. Dat zou een heilzame werking hebben op je ziel. Als van Wonderen deze verhalen vertelde, was er een uitdrukking van onbegrip op zijn gezicht. Ook als hij vertelde hoe sommige broeders je afranselden of je in je geslachtsdelen knepen. Vroeg je daarop door, dan zweeg van Wonderen stil. We lachten ons rot als hij de broeders namen gaf. Broeder beul, broeder Bonaficus, Broeder Knijpkat, Broeder Graaier en Broeder Stinkdier. De namen spraken boekdelen.
Het verhaal dat het meeste indruk op me maakte was het verhaal van zijn eerste baantje. Als vijftienjarige jongen mocht hij helpen bij een brood- en banketbakker. Hij kreeg daarvoor een fiets met een mand voorop. Op die fiets moest hij bestellingen wegbrengen. Broodjes en heerlijk wittebrood. Zoiets kreeg je in het internaat nooit. Daar was het brood altijd hard en oud, terwijl de broeders altijd het beste van het beste hadden. Dus zodra hij met een mandfiets vol heerlijkheden werd losgelaten, reed hij naar het internaat en deelde op de speelplaats alles uit. “Ik had niets geleerd over het mijn en dijn”besloot hij dit verhaal dan verontschuldigend om er dan achteraan te zeggen… “Johhhhh maar het was lekker johhhh”.
In de loop der tijd leerde ik hem kennen en werd het een beetje mijn vriend. Onder de vrolijke laag die hij tentoon spreidde, zat een ietwat domme doodgoeie man met levensgrote problemen. Als kind van een hoer was hij terechtgekomen in het internaat Groenestein in Den Haag, alwaar hij aan de broeders was overgeleverd. Daar leerde hij helemaal niets van het leven, om vervolgens het internaat te ontvluchten door te tekenen voor de waffen-SS. Geen bewuste keuze, maar een vlucht. Na de oorlog trouwde hij. Maar zijn huwelijk liep al snel stuk. Toch hadden ze 3 kinderen gekregen, die hij niet mocht zien. Daar kwam ik pas achter toen hij werd opgepakt door de politie en niet op kantoor verscheen. Hij was zijn dochter gaan bezoeken, maar mocht haar niet zien. Uit onmacht heeft hij toen en steen gepakt en bij het gezin waar zijn dochter verbleef door het raam gegooid, met alle gevolgen van dien.
Dammen kon hij als de beste. Waarschijnlijk veel getraind in het internaat. Ik leerde hem bijarten en heel langzaam werden we iets meer dan collega’s. Mijn carrière en mijn daaruit voortvloeiende sollicitaties dreven ons uit elkaar. Ik zag hem nog maar weinig. Dat beperkte zich uiteindelijk tot af en toe bij ons op visite komen. Dan aten we lekker en bleef hij slapen. Maar ook dit stopte.
De laatste keer dat ik hem zag, was tien jaar geleden. Ik had hem uitgenodigd als eregast op mijn werk-jubileum. Op de receptie heeft hij honderduit gepraat. Alle oude verhalen passeerden de revue. Uiteraard waren het alleen de lollige verhalen die hij vertelde.
Nu rijd ik weer naar hem toe. Ik heb zijn telefoonnummer opgezocht en gevonden en hem gebeld. d. Ik kreeg hem direct aan de lijn, maar volgens mij begreep hij niet zo goed wie ik was. Toch maakten we een afspraak. Ik parkeer mijn auto op de parkeerplaats van het bejaardenoord waar van Wonderen woont en loop naar binnen. De receptioniste vertelt me dat hij op de eerste etage, kamer 114 woont en dat ik zomaar door mag lopen naar boven. Het is vijf voor vier in de middag. Als ik de gang inloop hoor ik in de verte keiharde muziek. Ave Maria, gezongen door een koor. Als ik doorloop blijkt die muziek inderdaad uit zijn kamer te komen. Het staat zo hard dat zijn deur een beetje trilt. Op de achtergrond hoor ik hem meekreunen. Ik klop op de deur maar krijg geen reactie. Dan bonk ik keihard op de deur maar ook dat helpt niet. Ik besluit te wachten tot het liedje is opgehouden en zodra het liedje stopt bonk ik keihard op de deur. Ik hoor geschuifel en voordat de deur geopend word, vangt een nieuw lied Marialied aan. Dan doet van Wonderen zijn deur open. Hij kijkt me aan en schijnt na te denken. Dan zie ik dat er enige herkenning is en ik mag binnenkomen. Hij zet de muziek uit.
We zitten een paar minuten stil tegenover elkaar. Ik kom niet verder dan te zeggen: “Goh, das een tijd geleden zeg”.. “Ik woon hier mooi” zegt hij dan plotseling en hij wijst door het raam naar buiten. We kijken op een groen gazon, half omringd met grote bomen. “Er Zitten veel vogels in die bomen” zegt hij dan en vervolt “ik woon hier mooi. Eerst wilde ik hier niet heen, maar ik woon hier mooi”.
Ik refereer aan onze vroegere werkkring, maar hij gaat daar niet echt op in. Behalve dan dat hij zegt dat “Juultje” al heel lang dood is. Ik vraag hoe oud hij is en veen kijkt ie trots als hij zegt “negen en tachtig”. Dan begint hij te vertellen hoe hij een stoma heeft gekregen. Prostaatkanker. “Mar het is wel gemakkelijk, ik kan nu naar de wc als ik dat wil”. Er wordt helemaal niks meer gezegd over Leo Bolle en Kleine Muis en ook niet over de broeders. Als ik broeder Bonaficus noem, gaat hij daar niet op in. “Nee ik woon hier mooi.. kijk, als ik die kant op ga ben ik zo in Scheveningen”.. Nee niet nu. Nu is het te koud, maar straks als het weer mooi weer is.
“Ik hoorde net Maria muziek” zeg ik om het gesprek op gang te houden. Hij staat op, loopt naar drie schilderijtjes die aan de muur hangen en waarop Maria is te zien en zegt: “Mooie muziek, maar die hele Maria is nep. Ach, je werd vroeger zo voor de gek gehouden met die mooie sprookjes en plaatjes”en hij wijst op de schilderijtjes om zijn woorden kracht bij te zetten. “Ik heb een mooie kleurentelevisie”zegt hij dan en hij loopt naar het toestel en zet hem aan. Op dat moment is er net een journaaluitzending waarop het misbruiknieuws uit de katholieke internaten wordt verkondigd. Even luistert hij aandachtig en als het bericht klaar is doet hij de TV weer uit. Dan is het even erg stil. Hij tuurt naar buiten en brengt zijn hand naar zijn hoofd. “Pfoeeee” zegt hij dan, daar wordt een beerput opengetrokken. Ze weten niet half wat die smeerkezen hebben uitgevreten”. Dan gaat hij weer zitten. “Ja, zegt ie ineens, eerst wilde ik hier niet naar toe, maar toch, het is erg mooi hier”. “Zullen we een hapje gaan eten vraag ik”, hij antwoord niet, staat op en loopt zwijgend naar de kapstok en pakt zijn jas. Voor mij is dat het teken om op te staan. Hij trekt zijn jas aan en we lopen samen naar buiten.
Labels:
broeders,
den haag,
godsdienst,
Jezus,
johan,
katholiek,
misbruik,
oude man,
oudkerk,
van wonderen
Voor mezelf en voor God
Daar stond ze, recht voor het centraal station Amsterdam. Een oudere zwarte vrouw van zeker 65 jaar op een koude maartse dag in de stromende koude regen. Ze was gekleed in een dik gevoerd donkergroen sky-achtig windjack met een hele dikke rode wollen das, die ze drie keer om haar nek geslagen had. Ze had een lange grijsgele jurk aan van een soort dikke stof, die tot haar enkels reikte. Op die rok zaten dikke boerengroene strepen, die van haar taille naar beneden liepen. Ze droeg houten sandalen en had haar voeten ingepakt met extra dikke geitenwollen sokken, misschien wel 2 paar over elkaar heen. In haar linkerhand een grote donkerblauwe paraplu, die haar tegen de regen beschermde en in haar rechterhand een bijbel die ze tegen haar linkerborst aan klemde.
Ik hoorde haar al van ver. “Het is niet te laat” was haar boodschap. “De Heer heeft geduld en wacht op u!!”, schreeuwde ze. Voor haar stond een bord met een Bijbeltekst uit Korintiërs. Dat God de mens zo leef heeft, dat Hij zijn eigen zoon offerde en daaronder een door rode letters benadrukte tekst “HET IS NIET TE LAAT”. En dat was de boodschap dus. “Het is niet te laat en God heeft u lief. U kunt nu voor Hem kiezen”.
Vanachter haar ziekenfondsbrilletje keek ze trots om zich heen. Telkens weer haar teksten roepend, met een brede grijns op haar gezicht. Ze draaide haar hoofd van links naar rechts en volgde met haar ogen de snel passerende mensen die langsliepen. Mensen die of de trein moesten halen, of snel ergens op een belangrijke afspraak in de stad moesten zijn. Of mensen die niet wensten nat te regenen in de heersende maartse kletterbui. Hoe dan ook, niemand bleef staan om te luisteren, behalve ik dan. Ik vond het de moeite waard om een foto te maken van dit prachtige tafareel. Een bevlogen oude zwarte vrouw die tegen kou, regen en wind gewapend het woord van God verkondigde, met een brede glimlach, terwijl niemand luisterde.
Ik vroeg haar of dat mocht en ze gaf lachend toestemming. Ik schoot eerst een stuk of wat plaatjes die het geheel weergaven en daarna wat close ups van haar gezicht. Zij werkte prima mee, keek in de camera als een volleerd fotomodel, maar bleef roepen. Na twintig foto’s dankte ik haar en vroeg of zij de foto’s toegezonden wilde hebben. Zij wilde dat niet. Om mijn toestel af te drogen en op te bergen ging ik even onder de paraplu staan. “Maakt u veel foto’s” vroeg ze belangstellend met een vet Surinaams accent. “Ach”, opperde ik, “het is een hobby van me. Van de foto’s die ik nu heb gemaakt komt er een in een krantje in mijn woonplaats, een kerkelijk krantje”. Ze lachte daarom en ik maakte op dat ze dat erg leuk vond. “Maar”, vroeg ik wat aarzelend, een beetje bang dat ik dit onderwerp niet zo mogen aansnijden, “waarom staat u hier eigenlijk. Niemand luistert naar u, iedereen loopt door. Voor wie doet u dit”. Heel even was het stil daar voor het station ook al tetterde het stadse geluid je van alle kanten in de oren. Ik keek haar aan en zag haar ogen vol pret schieten. Toen barstte ze in schateren uit. “Voor wie denkt u dat ik dit doe dan meneer”, grapte ze. “Voor God? “opperde ik. “Neeeeee schreeuwde ze uit met een pretstem”, ik doe dit voor mezelf. Ik vind het leuk om te doen en het is nodig om de mensen te waarschuwen. En God.. en ze greinste, kijkt naar me en lacht.”
De ratelende bel van een tram maakte deze verklaring af. Ik begreep haar.
Ik hoorde haar al van ver. “Het is niet te laat” was haar boodschap. “De Heer heeft geduld en wacht op u!!”, schreeuwde ze. Voor haar stond een bord met een Bijbeltekst uit Korintiërs. Dat God de mens zo leef heeft, dat Hij zijn eigen zoon offerde en daaronder een door rode letters benadrukte tekst “HET IS NIET TE LAAT”. En dat was de boodschap dus. “Het is niet te laat en God heeft u lief. U kunt nu voor Hem kiezen”.
Vanachter haar ziekenfondsbrilletje keek ze trots om zich heen. Telkens weer haar teksten roepend, met een brede grijns op haar gezicht. Ze draaide haar hoofd van links naar rechts en volgde met haar ogen de snel passerende mensen die langsliepen. Mensen die of de trein moesten halen, of snel ergens op een belangrijke afspraak in de stad moesten zijn. Of mensen die niet wensten nat te regenen in de heersende maartse kletterbui. Hoe dan ook, niemand bleef staan om te luisteren, behalve ik dan. Ik vond het de moeite waard om een foto te maken van dit prachtige tafareel. Een bevlogen oude zwarte vrouw die tegen kou, regen en wind gewapend het woord van God verkondigde, met een brede glimlach, terwijl niemand luisterde.
Ik vroeg haar of dat mocht en ze gaf lachend toestemming. Ik schoot eerst een stuk of wat plaatjes die het geheel weergaven en daarna wat close ups van haar gezicht. Zij werkte prima mee, keek in de camera als een volleerd fotomodel, maar bleef roepen. Na twintig foto’s dankte ik haar en vroeg of zij de foto’s toegezonden wilde hebben. Zij wilde dat niet. Om mijn toestel af te drogen en op te bergen ging ik even onder de paraplu staan. “Maakt u veel foto’s” vroeg ze belangstellend met een vet Surinaams accent. “Ach”, opperde ik, “het is een hobby van me. Van de foto’s die ik nu heb gemaakt komt er een in een krantje in mijn woonplaats, een kerkelijk krantje”. Ze lachte daarom en ik maakte op dat ze dat erg leuk vond. “Maar”, vroeg ik wat aarzelend, een beetje bang dat ik dit onderwerp niet zo mogen aansnijden, “waarom staat u hier eigenlijk. Niemand luistert naar u, iedereen loopt door. Voor wie doet u dit”. Heel even was het stil daar voor het station ook al tetterde het stadse geluid je van alle kanten in de oren. Ik keek haar aan en zag haar ogen vol pret schieten. Toen barstte ze in schateren uit. “Voor wie denkt u dat ik dit doe dan meneer”, grapte ze. “Voor God? “opperde ik. “Neeeeee schreeuwde ze uit met een pretstem”, ik doe dit voor mezelf. Ik vind het leuk om te doen en het is nodig om de mensen te waarschuwen. En God.. en ze greinste, kijkt naar me en lacht.”
De ratelende bel van een tram maakte deze verklaring af. Ik begreep haar.
dinsdag 2 maart 2010
De Weg
Hij is al een eind onderweg als hij in de verte een oude heks bij een bron ziet staan. Ze ziet er erg angstwekkend uit, maar door een vreemd verlangen gedreven loopt hij toch naar haar toe. En terwijl hij haar naderdt, verandert de oude heks in een jonge, mooie en liefelijke vrouw.
“Weet u de weg”, vraagt hij. “Ik zwerf al jaren rond zonder te weten waar ik ben”.
“Je bent hier”, antwoordde de mooie vrouw met een lief en zangerig geluid in haar stem. “Wil je een glas water uit mijn bron?”. Gretig neemt hij het glas aan. Hij is nogal dorstig van de lange reis die hij achter de rug heeft. Na twee slokken kijkt hij de mooie vrouw aan en zegt: “Dit is het heerlijkste water dat ik ooit gedronken heb. Nergens anders heb ik zulk lekker water gedronken, dit moet een heel speciale bron zijn”.
De vrouw kijkt hem dan verbaasd aan. “Welnee”, zegt ze, zulke bronnen zijn overal. Ik denk dat je nu voor het eerst echt geproefd hebt”.Hij is even in de war van dit antwoord, denkt na en vraagt dan: “Mag ik “hier alsjeblieft blijven?”.
De vrouw glimlacht, denkt even na en zegt dan op een zoete toon: “ Blijf hier. Hier is de plek die je overal en altijd met je meeneemt. Die plek kun je niet ontlopen. Hier is je bestemming”. “Dan blijf ik”, besluit hij met een kordate stem en hij begint onmiddellijk een hoge schutting om de bron heen te bouwen. “Er zouden rovers kunnen zijn, dacht hij, die het water uit deze bron willen stelen. Met het bouwen van de hoge schutting was hij heel lang en druk. Omdat hij zo druk bezig was, schonk hij geen aandacht meer aan de vrouw. Daar had hij geen tijd voor. Maar toen de schutting na hard ploeteren eindelijk klaar was, nam hij naast haar plaats en keek naar haar.hij met zijn schutting klaar was, zette hij zich voldaan naast haar neer. Toen pas keek hij weer naar de vrouw en hij schrok hevig. Hij zag dat ze weer was veranderd in een lelijke oude heks, die kwaad uit haar ogen loerde. “Dwaas”, schreeuwde ze. “Kijk eens wat je gedaan hebt. Je hebt jezelf en mij in een gevangenis opgesloten”. Hij schrok van haar boze blik en haar venijnige stem. “Maar”, opperde hij, “we hebben toch samen de bron en jij wilde zelf toch ook hier blijven?” Ze begon hatelijk om hem te lachen, greep een glas en haalde voor hem een glas water uit de bron. Het water smaakte naar modder. Omdat het hem bij die vrouw bij nader inzien toch niet zo beviel, besloot hij opnieuw de wijde wereld in te trekken. Hij sloopte de schuttingen om de bron en vertrok..
Op een dag zag hij in de verte een oude man onder een boom zitten. De oude man zag er zeer eerbiedwaardig uit. Hij wenkte naar hem en aarzelend liep hij naar de oude man toe. “Weet u de weg”, vroeg hij, “Ik ben de weg kwijtgeraakt en al jaren zwerf ik eenzaam rond zonder te weten waarheen ik moet gaan”. De oude man keek hem onderzoekend aan en antwoordde: “Van alle mensen op aarde ben ik de enige die weet waar de weg is en waarheen deze leidt”. “Maar waarom zou ik jou die weg wijzen?” “Vertel het mij” antwoordde hij, “en ik zal mijn hele leven lang met eerbied over u spreken”. “Dat is niet genoeg”, antwoordde de oude man. “Dan zal ik u dienen zolang u leeft”, smeekte hij. “Goed”, zei de oude man, “kniel voor mij neder en dien mij”. En hij knielde eerbiedig neder en diende de oude man vele, vele jaren lang. Maar de oude man wees hem de weg niet. Als hij ernaar vroeg zei de oude man: “Je bent het nog niet waard, je moet mij nog langer dienen”. Op een kwade dag stierf de oude man, zonder hem de weg te hebben gewezen. Daarom trok hij opnieuw de wijde wereld in.
Op een avond kwam hij in een herberg. Aan een tafel zaten enige mannen met elkaar te fluisteren. Hij zette zich vlakbij hen neer, zodat hij kon horen waar ze het over hadden. Ze hadden het over het land Daar. “Het is onrechtvaardig”, zo zeiden zei tegen elkaar, “dat er in het land Daar geluk heerst, terwijl wij hier allemaal ongelukkig zijn. Die nacht bedacht hij een plan. De andere ochtend sprak hij de mannen aan en stelde voor het land Daar met geweld te veroveren. “We moeten een menigte verzamelen”, zei hij, “zodat we sterk zijn”.
En ze verzamelden een menigte en ze waren sterk. Toch bleek het niet zo eenvoudig het land Daar te veroveren. Pas na enige jaren strijd, wonnen ze en hij werd koning van het land Daar. Maar gezeten op zijn troon, zag hij om zich heen alleen maar platgebrande steden en vertrapte akkers. Iedereen was in de rouw, want iedereen had wel een man, vrouw of vriend verloren. “We hebben het verkeerde land veroverd”, bedacht hij, “want niemand is in dit land gelukkig”. En ’s-nachts sloop hij tussen de wachtposten door weg, opnieuw de wijde wereld in.
Onder een boom zit een oude man. Om hem heen luisteren jonge mannen aandachtig naar de verhalen die hij vertelt. En hij vertelt: “Eens, werd ik door een vrouw naar een bron van modder geleid. Nu weet ik dat men nooit een vrouw naar de weg moet vragen”. En hij vertelt: “Eens wees een oude man mij de weg en hij toonde mij waarheen deze leidt. Die oude man is echter reeds lang gestorven en nu ben ik de enige mens op aarde die weet waar de weg is”.
En hij vertelt: “De weg leidt naar het land Daar, waar opperste gelukzaligheid heerst, eens was ik daar koning”. “Waarom bent u dan niet in het land Daar gebleven?”, vraagt een van de jonge mannen hem. En hij zegt: “Ik ben teruggekeerd naar hier, naar jullie, om jullie de weg te wijzen. “Vertel ons dan de weg naar het land Daar”, vragen de jonge mannen, “dan zullen we ons leven lang met eerbied over u spreken”. “Dat is niet genoeg”, antwoordde de oude man. “Wij zullen u al onze bezittingen geven”, smeken de jonge mannen. “Dat is niet genoeg”, antwoordde de oude man. “We zullen u dienen, zolang u leeft!!”
Goed zegt hij, kniel HIER
“Weet u de weg”, vraagt hij. “Ik zwerf al jaren rond zonder te weten waar ik ben”.
“Je bent hier”, antwoordde de mooie vrouw met een lief en zangerig geluid in haar stem. “Wil je een glas water uit mijn bron?”. Gretig neemt hij het glas aan. Hij is nogal dorstig van de lange reis die hij achter de rug heeft. Na twee slokken kijkt hij de mooie vrouw aan en zegt: “Dit is het heerlijkste water dat ik ooit gedronken heb. Nergens anders heb ik zulk lekker water gedronken, dit moet een heel speciale bron zijn”.
De vrouw kijkt hem dan verbaasd aan. “Welnee”, zegt ze, zulke bronnen zijn overal. Ik denk dat je nu voor het eerst echt geproefd hebt”.Hij is even in de war van dit antwoord, denkt na en vraagt dan: “Mag ik “hier alsjeblieft blijven?”.
De vrouw glimlacht, denkt even na en zegt dan op een zoete toon: “ Blijf hier. Hier is de plek die je overal en altijd met je meeneemt. Die plek kun je niet ontlopen. Hier is je bestemming”. “Dan blijf ik”, besluit hij met een kordate stem en hij begint onmiddellijk een hoge schutting om de bron heen te bouwen. “Er zouden rovers kunnen zijn, dacht hij, die het water uit deze bron willen stelen. Met het bouwen van de hoge schutting was hij heel lang en druk. Omdat hij zo druk bezig was, schonk hij geen aandacht meer aan de vrouw. Daar had hij geen tijd voor. Maar toen de schutting na hard ploeteren eindelijk klaar was, nam hij naast haar plaats en keek naar haar.hij met zijn schutting klaar was, zette hij zich voldaan naast haar neer. Toen pas keek hij weer naar de vrouw en hij schrok hevig. Hij zag dat ze weer was veranderd in een lelijke oude heks, die kwaad uit haar ogen loerde. “Dwaas”, schreeuwde ze. “Kijk eens wat je gedaan hebt. Je hebt jezelf en mij in een gevangenis opgesloten”. Hij schrok van haar boze blik en haar venijnige stem. “Maar”, opperde hij, “we hebben toch samen de bron en jij wilde zelf toch ook hier blijven?” Ze begon hatelijk om hem te lachen, greep een glas en haalde voor hem een glas water uit de bron. Het water smaakte naar modder. Omdat het hem bij die vrouw bij nader inzien toch niet zo beviel, besloot hij opnieuw de wijde wereld in te trekken. Hij sloopte de schuttingen om de bron en vertrok..
Op een dag zag hij in de verte een oude man onder een boom zitten. De oude man zag er zeer eerbiedwaardig uit. Hij wenkte naar hem en aarzelend liep hij naar de oude man toe. “Weet u de weg”, vroeg hij, “Ik ben de weg kwijtgeraakt en al jaren zwerf ik eenzaam rond zonder te weten waarheen ik moet gaan”. De oude man keek hem onderzoekend aan en antwoordde: “Van alle mensen op aarde ben ik de enige die weet waar de weg is en waarheen deze leidt”. “Maar waarom zou ik jou die weg wijzen?” “Vertel het mij” antwoordde hij, “en ik zal mijn hele leven lang met eerbied over u spreken”. “Dat is niet genoeg”, antwoordde de oude man. “Dan zal ik u dienen zolang u leeft”, smeekte hij. “Goed”, zei de oude man, “kniel voor mij neder en dien mij”. En hij knielde eerbiedig neder en diende de oude man vele, vele jaren lang. Maar de oude man wees hem de weg niet. Als hij ernaar vroeg zei de oude man: “Je bent het nog niet waard, je moet mij nog langer dienen”. Op een kwade dag stierf de oude man, zonder hem de weg te hebben gewezen. Daarom trok hij opnieuw de wijde wereld in.
Op een avond kwam hij in een herberg. Aan een tafel zaten enige mannen met elkaar te fluisteren. Hij zette zich vlakbij hen neer, zodat hij kon horen waar ze het over hadden. Ze hadden het over het land Daar. “Het is onrechtvaardig”, zo zeiden zei tegen elkaar, “dat er in het land Daar geluk heerst, terwijl wij hier allemaal ongelukkig zijn. Die nacht bedacht hij een plan. De andere ochtend sprak hij de mannen aan en stelde voor het land Daar met geweld te veroveren. “We moeten een menigte verzamelen”, zei hij, “zodat we sterk zijn”.
En ze verzamelden een menigte en ze waren sterk. Toch bleek het niet zo eenvoudig het land Daar te veroveren. Pas na enige jaren strijd, wonnen ze en hij werd koning van het land Daar. Maar gezeten op zijn troon, zag hij om zich heen alleen maar platgebrande steden en vertrapte akkers. Iedereen was in de rouw, want iedereen had wel een man, vrouw of vriend verloren. “We hebben het verkeerde land veroverd”, bedacht hij, “want niemand is in dit land gelukkig”. En ’s-nachts sloop hij tussen de wachtposten door weg, opnieuw de wijde wereld in.
Onder een boom zit een oude man. Om hem heen luisteren jonge mannen aandachtig naar de verhalen die hij vertelt. En hij vertelt: “Eens, werd ik door een vrouw naar een bron van modder geleid. Nu weet ik dat men nooit een vrouw naar de weg moet vragen”. En hij vertelt: “Eens wees een oude man mij de weg en hij toonde mij waarheen deze leidt. Die oude man is echter reeds lang gestorven en nu ben ik de enige mens op aarde die weet waar de weg is”.
En hij vertelt: “De weg leidt naar het land Daar, waar opperste gelukzaligheid heerst, eens was ik daar koning”. “Waarom bent u dan niet in het land Daar gebleven?”, vraagt een van de jonge mannen hem. En hij zegt: “Ik ben teruggekeerd naar hier, naar jullie, om jullie de weg te wijzen. “Vertel ons dan de weg naar het land Daar”, vragen de jonge mannen, “dan zullen we ons leven lang met eerbied over u spreken”. “Dat is niet genoeg”, antwoordde de oude man. “Wij zullen u al onze bezittingen geven”, smeken de jonge mannen. “Dat is niet genoeg”, antwoordde de oude man. “We zullen u dienen, zolang u leeft!!”
Goed zegt hij, kniel HIER
Abonneren op:
Posts (Atom)
