Ze ligt op een kamertje alleen, op de zesde etage. Een zielig hoopje vrouw in een veel te groot wit bed. Een bruin hoofd met grijszwarte haren steekt boven de witte lakens uit. Op het voorhoofd staat een grote frons. Haar gezicht heeft een bekende trek, die van verdriet. Het doet me denken aan die oude foto uit het tijdschrift “De Spiegel” van 1946. Daarin staat zij vereeuwigd met een vertrokken gezicht, in de armen van pappa. Een weerzien van vijf lange kampjaren in Indië. Hetzelfde vertrokken gezicht vertoont ze nu. Het lijkt een spiegel van angst en verdriet. Het is doodstil. Er lopen verpleegsters heen en weer, schijnbaar doelloos. Hun stappen bonzen in de stilte van de zaal een beklemmend ritme. Met een van mijn zusters sta ik naast het bed. We kijken naar het mensje dat voor ons ligt. We zien dat ze af en toe een scheut pijn verwerkt, want dat vertekent haar gezicht nog meer. De vraag wat ze zou hebben, speelt in onze hoofden. Naar later blijkt, niet alleen in onze hoofden, maar ook in het hare. Maar op de een of andere manier is het voor mij wel duidelijk. Ik bedoel, dat ze kanker heeft in haar onderbuik. Of zij het weet kan ik niet raden, maar ik denk wel dat ze het beseft. Het is een van die zeldzame momenten die een mens in zijn leven heeft. Het moment dat je beseft dat het leven eindig is en jij er niet lang meer aan zult deelnemen. Op zo’n moment staat je leven stil en heerst om je heen slechts het nu, waarin weinig meer valt te verbergen. Er is echter nog geen definitieve diagnose. Mamma is onrustig. Ze zegt weinig maar haar gezicht spreekt boekdelen. Af en toe kijken we elkaar aan. Geen blikken van verstandhouding, maar meer een vluchtige zoektocht naar contact en woorden. Dan mompelt ze wat. Eerst onverstaanbaar, maar iets later zijn er woorden te herkennen. Onsamenhangende woorden die eerst vervliegen in mijn gedachten, maar die door herhaling toch een vaste betekenis krijgen. Ze wil weten wat ze heeft en wat er te verwachten is. Ze weet het niet, vandaar die onrust. Mijn zus en ik doen soms pogingen om een gesprek te beginnen. We zeggen dan maar wat. Maar het heeft geen invloed op het mompelen. Mamma wil gewoon weten hoe het met haar is. Dan vraag ik of ik de dokter moet halen. Even kijkt ze me langer aan en ze knikt. Mijn zus en ik lopen naar de verpleegstersbalie, waar we vragen naar de dokter. Die zal over een tijdje zijn gewag doen. Daarom lopen we maar terug, om te wachten.
In het ziekenhuiskamertje is niets veranderd. Er staat nieuw drinken, limonade met een rietje. Mamma drinkt er niet van. Dan volgt een schijnbaar lange wachttijd, waarin mamma draait in haar bed en wij steeds weer blikken wisselen, zonder woorden. Als een van ons iets zegt, smoren de woorden in de stilte van de hospitaalkamer, waar steeds opnieuw een zuster binnenloopt om te kijken hoe het is. Omdat mamma zo onrustig is mogen wij langer blijven. We staan met zijn tweetjes hulpeloos en zonder woorden naast het bed. Er heerst een schreeuwende stilte, die op de achtergrond werd doorbroken door het zeurderig geluid van het dagelijkse verkeer, dat langs het ziekenhuis denderdt. Steeds doen we een poging die stilte te doorbreken. Dat lukt nauwelijks. Elke zin, elke vraag smoort in die stilte. Er rest ons blijkbaar niets anders dan een onbeduidend staren naar elkaar en naar haar, naar buiten en weer naar elkaar. Af en toe kijkt zij ons aan en mompelt wat. Het lijkt op iets in de trant van : “ïk wil weten waar ik aan toe ben”. Aan haar blik zie ik haar angst. En als mijn zus vraagt of we de dokter moeten halen, knikt zij instemmend. Ik loop naar de balie en vraag om de dokter. Dan loop ik terug naar de stilte van de ziekenhuiskamer. We wachten op de dokter..
In de waas van de stilte trekken duizenden beelden aan mij voorbij. Zij leek altijd zo teer en kwetsbaar. Een onooglijk klein bruin Indisch vrouwtje in een enorm wit bed. Misschien een metafoor voor de grote witte wereld waarin zij door haar komst naar Nederland terecht kwam en waarin zij zich met vallen en opstaan staande had gehouden. Vlagen van gesprekken met haar, vonden mijn herinnering. Verdriet en angst, plezier en geluk werden door mijn hersenen in de vorm van beelden van vroeger verwerkt. En ineens herinnerde ik mij een droom die ze mij vertelde. Ze had die gehad vlak na de oorlog of misschien wel tijdens de oorlog, in gevangenschap. Ik was er toen nog niet, maar gek, dat verhaal is me altijd bijgebleven. In die droom liep zij op een lange lege, eindeloos schijnende zandweg. Zij trok een groot bananenblad voort, met daarop haar twee kinderen, mijn oudste zus en broer. De tocht was een enorme krachtsinspanning. Zij sleepte als het ware voort met haar kinderen. Ze had na dit verhaal gelachen en ik ernaar geluisterd zonder door te denken. Maar nu doemde het weer in mij op. Ik bedacht dat de droom haar leven voorstelde. Een lange lege weg zonder zichtbaar einde, die met een grote krachtsinspanning moest worden afgelegd. Misschien stond de leegte wel voor haar vervlogen hoop en het slepen voor haar voortdurende inspanning die hoop te achterhalen. Zo was haar leven ook geweest. Een weg zonder doel. Alsmaar doorlopen en doorlopen. Hoe vaak was zij mishandeld, verrot geslagen. Hoe vaak had zij ons, haar kinderen verdedigd tegen de brute kracht van pappa. Hoe vaak eindigde de strijd om haar dochter tegen zijn smerige lijf te beschermen, in een bloedige afgang en een stil, verdrietvol verlies. Vlagen van die gevechten trokken aan mij voorbij. Worstelingen die leidden tot grof geweld, waarin zij altijd het onderspit delfde. Hoe vaak is ze opnieuw begonnen met hem, met elke keer dezelfde teleurstelling.Waarom was ze op die weg gebleven. Waarom had zij steeds maar weer gekozen voor dat voortslepen. Waarom was die waaromvraag op dit moment zo belangrijk voor me, terwijl ik tegelijkertijd besefte dat ik er nooit een antwoord op zou krijgen. De opengaande deur verstoorde mijn gedachtegang. De dokter kwam binnen. Het was een dikke man met een vrolijk gezicht. Hij ging voor het bed staan en probeerde ernstig te kijken. Haar vraag, wat heb ik dokter, maakte het gezicht alleen nog maar ernstiger. U hebt kanker mevrouw, ernstige kanker.
Wat wij allemaal al wisten en wat zij ook al had vermoed was nu ineens een werkelijkheid. Mijn zus barste in tranen uit. Ik keek naar mamma. Ik zag haar wenkbrauwen fronsen, een klein moment maar. Daarna vertrok zij haar gezicht in een vreselijke stille en verdrietige grimas. De dokter verliet de kamer en wij bleven in een ondoordringbare en tijdloze minuut hangen, alsof in een eeuwigheid. En kijkend naar haar en zag ik het grote verdriet van al die jaren getekend op haar gezicht. Ik meende te zien dat zij zichzelf op dat moment alle vragen stelde die ik daarnet had bedacht. En ineens keek zij mij aan. Verdrietig vragend. Daarna wendde zij haar gezicht opnieuw af. In mij verstomden alle gedachten aan vroeger. In mij verstomden alle mogelijke verwijten die ik tijdens het wachten op de dokter had gevoeld. In mij verdween elk gevoel van onrust. Het maakte plaats voor een gevoel van tederheid en liefde, of misschien wel medelijden. Zo klein, zo kwetsbaar lag zij daar. Kwetsbaar, zoals zij altijd al was geweest. De lange zandweg was bijna afgelegd. Ze keek me vragend aan. Ik ging naast haar op het bed zitten. Sloeg mijn hand over haar schouder en zei: “mamma, je bent een goede moeder geweest”. Ze draaide zich langzaam om. De grimas op haar gezicht was verdwenen. Misschien staan er toch bloemen op het laatste stukje van de zandweg. Ik weet het niet.
Posts tonen met het label doodsangst. Alle posts tonen
Posts tonen met het label doodsangst. Alle posts tonen
maandag 5 april 2010
Het ziekenhuis
Labels:
"de liefde",
antoniushove,
diagnose,
dokter,
doodsangst,
gevreesde ziekte,
kanker,
moeder,
ziek,
ziekenhuis,
ziekte
donderdag 1 april 2010
Angst en monsters
Soms was het rustig in ons huis. Zo rustig zelfs, dat er nauwelijks spanning voelbaar was. Als je geluk had en pappa had niet teveel gedronken, dan was er zelfs een kans dat hij mooie indringende en erg griezelige verhalen vertelde. Die gingen dan meestal over hemzelf en wat hij meemaakte in Indië. Over een patrouille in Atjeh, of tijdens de schermutselingen met de jappen over hem als gevangene in Birma, bouwend aan de beroemde spoorweg. Vanavond is zo’n avond. Hartje winter met een lekker snorrende kachel. Buiten koud en donker. Het gele licht van de perkamenten lampenkap, waarop rode figuurtjes extra kleur brachten, dwarrelde door de kamer. Pappa zit aan de jenever hij is er net aan begonnen en dus niet dronken. Hij drinkt niet uit een glas, maar zet de fles behoedzaam aan zijn lippen om er dan een slokje van te nemen. Zoiets sla ik dan angstig gade, want als er teveel gedronken wordt, dan verandert zijn stemming. Meestal slaat die stemming dan over in boosheid en soms blinde woede. Dan moeten er ergens voor schuldigen worden gezocht en gestraft. Vanavond wil hij graag vertellen en wij, mijn grote broer, mijn zus en ik, wij luisteren.
Zo verteldt dat je in indië, ’s-nachts, nooit aan de zijkant van een straat of steeg moest lopen. Niet op de landwegen en niet in een kampung.Nee, je moest midden op straat open. Dan zou een overvaller een stuk moeten lopen om jou te bespringen. Die overvaller verschool zich vaak achter een boom, een huis of in de bosjes aan de kant van de weg. Als jij dan midden op straat liep dan had die overvaller tenminste 4 of 5 passen nodig om jou te bereiken.Jij kreeg daardoor tijd om te reageren. Overvallers hebben altijd een kris of klewang bij zich. Zo vlijmscherp, dat als je er een haar op liet vallen, deze haar door de kracht van de val werd doorkliefd en in twee stukken uiteen viel. Met zo’n wapen in de hand besprongen ze jou, als nietsvermoedende wandelaar, soldaat of niet. Ze kwamen dan van achter je, om dan de arm en hand, waarmee ze hun mes vasthielden, om je buik te slaan. Een steek en een snee, waren dan voldoende om je ingewanden eruit te laten rollen. Jij zou dan weerloos zijn en een pijnlijke, maar langzame dood sterven. Wanneer je ingewanden op de grond waren gerold, kon je weinig of niets meer doen. Hele gemene overvallers, ook genoemd extremisten, bukten zich dan over je heen, om je darmen nog even flink in het zand te rollen. Dat was pijnlijk en je kon dan helemaal niet meer geholpen worden. Pappa liep uiteraard niet langs de kant van het pad of de weg. Maar in het midden. Zijn hand aan de klewang en het pistool in de aanslag. Hij deed het dan voor, hoe hij liep en ik maakte daar dan een beeld van in mijn gedachten. Een stoere sterke soldaat in het donker, fier doorstappend en op zijn hoede. Daar kwam een overvaller vanachter een boom vandaan. Stap, stap stap, en pappa had zijn klewang al in de handen, en sloeg zo’n overvaller de kop af. Klus geklaard. Zou ik zelf ooit zo dapper zijn als pappa?
In ieder geval nu niet. Het verhaal was ten einde en ik moest naar bed. Naar bed gaan betekende naar boven gaan. Alleen. Zouden daar ook overvallers zijn in het stikdonker. Verstopten ze zich op de vliering, of lagen ze onder je bed. Vast wel. Maar niet naar boven durven, was een gewaagde onderneming. Bang mocht je van pappa niet zijn. Angst werd afgestraft met flinke klappen inclusief scheldkanonnade en een gepaste straf. Dat laatste was altijd verschrikkelijk. Rookte je bijvoorbeeld een sigaret, dan kon je, voor hem staande,een zwaar sjekkie, geheel over je longen oproken. Tijdens de misselijkheid erna, kwam dan de aframmeling.
Ik keek naar hem en dan weer naar de deur van de kamer. Wat zou ik kiezen, hem of de donkerte van de trap en mijn slaapkamer. Een dergelijke keuze ging altijd gepaard met een langdurig moment van stille angst en besluiteloosheid. Wat zou erger zijn. De aframmeling en de daarop volgende ellende, of worden vermoord op je slaapkamer, door een extremist. Mijn blikken vlogen verwilderd de kamer rond. Ik besefte dat ik snel een keuze moest maken. Maar er was geen echte keuze, althans voor mij niet. Er hing een dubbele angstwaas om me heen en door die angstwaas zag ik mamma. Ik rende op haar af en begon te huilen. Of zij het verhaal en alles daaromheen had gevolgd, wist ik niet. Toch sloeg zij haar armen om me heen en tilde me op om me naar bed te brengen. Een moment zal ik gedacht hebben dat ik voorlopig was gered. Gered van de beangstigende weg naar mijn slaapkamer, over de donkere trap en langs de donkere andere slaapkamers. Samen met mamma zou ik dan onder mijn bed kunnen kijken, of er iemand onder lag. Maar zover kwam het niet. Pappa greep in. “Kom hier”!!! schreeuwde hij. Ik klampte me nog meer vast. Wat er verder gebeurde weet ik niet. Er was een woordenwisseling en er vielen klappen. Niet op mij, maar ik geloof op mamma. Toen werd ik uit haar armen gerukt. Pappa zette me neer recht voor hem, tussen mijn oudere broer en zuster. Blijkbaar hadden zij ook angst getoond of het was gewoon de gelegenheid om een straf aan alle drie te geven.
Wij moesten naar buiten. Achter het huis de lange tuin in, tot aan de sloot. Daarna links af door de bomenrij totdat we op het verste punt van het huis stonden. Daar moesten we blijven staan, totdat we terug mochten komen. Het was koud. Voor ons lag de gapende donkerte, van onze lange moestuin. De achterkant was vanaf de achterdeur, waar wij naar buiten moesten, niet te zien. Na schreeuwende bevelen, liepen wij de duisternis in. Ik kon helemaal niets zien. Verblind door de duisternis, of verblind door de angst, liep ik met mijn broer en zuster mee. Tot aan de stinkende sloot, die onze moestuin scheidde van het slachthuis. Die sloot stond altijd vol met een bloederige drab, omdat het slachthuis in die sloot afwaterde. De afstand van het huis tot aan de sloot, bedroeg slechts 150 meter. De reis ernaar toe duurde voor mij een eeuwigheid. Ik keek naar de grond. Achter ons was de snerpende stem van pappa, die riep “verder!!, verder!!”. Voor ons waren vlagen van duisternis waarop donkere vlekken zich heen en weer bewogen. Om ons heen voelde ik mensen, overvallers, die wachtten op het juiste moment om toe te slaan. Als we dichtbij waren zouden ze ons bespringen en onze buiken opensnijden. Ik bedacht dat de grond onder onze voeten bestond uit klei. Moeilijk om dat je ingewanden in uit te smeren. Daar was zand beter voor. Maar de pijn die het zou doen, als mijn buik werd opengesneden, leek mij verschrikkelijk. Toen moesten we naar links. Langs de sloot naar de bomenrij waaraan onze moestuin grensde. Daar in die bomenrij, achter de struiken, zouden die overvallers zijn. Daar konden ze zich verdekt opstellen. Uit het zicht. Het kwam niet in mij op om hard terug te rennen naar huis. Blijkbaar was de angst daarvoor nog groter. Toen kwam het moment van stilstaan. “Halt”!!, riep pappa en we bleven staan.
Daar stonden we dan. Een vrije prooi voor alles wat ons van het leven zou willen beroven.
Hoe lang ik daar gestaan heb, weet ik niet. In mijn beleving leek het uren. De koude wind waaide door onze pyjama’s. Mijn voeten waren ijs en ijskoud. Om me heen de loerende blikken van gevaarlijke mannen en vreselijke monsters
Zo verteldt dat je in indië, ’s-nachts, nooit aan de zijkant van een straat of steeg moest lopen. Niet op de landwegen en niet in een kampung.Nee, je moest midden op straat open. Dan zou een overvaller een stuk moeten lopen om jou te bespringen. Die overvaller verschool zich vaak achter een boom, een huis of in de bosjes aan de kant van de weg. Als jij dan midden op straat liep dan had die overvaller tenminste 4 of 5 passen nodig om jou te bereiken.Jij kreeg daardoor tijd om te reageren. Overvallers hebben altijd een kris of klewang bij zich. Zo vlijmscherp, dat als je er een haar op liet vallen, deze haar door de kracht van de val werd doorkliefd en in twee stukken uiteen viel. Met zo’n wapen in de hand besprongen ze jou, als nietsvermoedende wandelaar, soldaat of niet. Ze kwamen dan van achter je, om dan de arm en hand, waarmee ze hun mes vasthielden, om je buik te slaan. Een steek en een snee, waren dan voldoende om je ingewanden eruit te laten rollen. Jij zou dan weerloos zijn en een pijnlijke, maar langzame dood sterven. Wanneer je ingewanden op de grond waren gerold, kon je weinig of niets meer doen. Hele gemene overvallers, ook genoemd extremisten, bukten zich dan over je heen, om je darmen nog even flink in het zand te rollen. Dat was pijnlijk en je kon dan helemaal niet meer geholpen worden. Pappa liep uiteraard niet langs de kant van het pad of de weg. Maar in het midden. Zijn hand aan de klewang en het pistool in de aanslag. Hij deed het dan voor, hoe hij liep en ik maakte daar dan een beeld van in mijn gedachten. Een stoere sterke soldaat in het donker, fier doorstappend en op zijn hoede. Daar kwam een overvaller vanachter een boom vandaan. Stap, stap stap, en pappa had zijn klewang al in de handen, en sloeg zo’n overvaller de kop af. Klus geklaard. Zou ik zelf ooit zo dapper zijn als pappa?
In ieder geval nu niet. Het verhaal was ten einde en ik moest naar bed. Naar bed gaan betekende naar boven gaan. Alleen. Zouden daar ook overvallers zijn in het stikdonker. Verstopten ze zich op de vliering, of lagen ze onder je bed. Vast wel. Maar niet naar boven durven, was een gewaagde onderneming. Bang mocht je van pappa niet zijn. Angst werd afgestraft met flinke klappen inclusief scheldkanonnade en een gepaste straf. Dat laatste was altijd verschrikkelijk. Rookte je bijvoorbeeld een sigaret, dan kon je, voor hem staande,een zwaar sjekkie, geheel over je longen oproken. Tijdens de misselijkheid erna, kwam dan de aframmeling.
Ik keek naar hem en dan weer naar de deur van de kamer. Wat zou ik kiezen, hem of de donkerte van de trap en mijn slaapkamer. Een dergelijke keuze ging altijd gepaard met een langdurig moment van stille angst en besluiteloosheid. Wat zou erger zijn. De aframmeling en de daarop volgende ellende, of worden vermoord op je slaapkamer, door een extremist. Mijn blikken vlogen verwilderd de kamer rond. Ik besefte dat ik snel een keuze moest maken. Maar er was geen echte keuze, althans voor mij niet. Er hing een dubbele angstwaas om me heen en door die angstwaas zag ik mamma. Ik rende op haar af en begon te huilen. Of zij het verhaal en alles daaromheen had gevolgd, wist ik niet. Toch sloeg zij haar armen om me heen en tilde me op om me naar bed te brengen. Een moment zal ik gedacht hebben dat ik voorlopig was gered. Gered van de beangstigende weg naar mijn slaapkamer, over de donkere trap en langs de donkere andere slaapkamers. Samen met mamma zou ik dan onder mijn bed kunnen kijken, of er iemand onder lag. Maar zover kwam het niet. Pappa greep in. “Kom hier”!!! schreeuwde hij. Ik klampte me nog meer vast. Wat er verder gebeurde weet ik niet. Er was een woordenwisseling en er vielen klappen. Niet op mij, maar ik geloof op mamma. Toen werd ik uit haar armen gerukt. Pappa zette me neer recht voor hem, tussen mijn oudere broer en zuster. Blijkbaar hadden zij ook angst getoond of het was gewoon de gelegenheid om een straf aan alle drie te geven.
Wij moesten naar buiten. Achter het huis de lange tuin in, tot aan de sloot. Daarna links af door de bomenrij totdat we op het verste punt van het huis stonden. Daar moesten we blijven staan, totdat we terug mochten komen. Het was koud. Voor ons lag de gapende donkerte, van onze lange moestuin. De achterkant was vanaf de achterdeur, waar wij naar buiten moesten, niet te zien. Na schreeuwende bevelen, liepen wij de duisternis in. Ik kon helemaal niets zien. Verblind door de duisternis, of verblind door de angst, liep ik met mijn broer en zuster mee. Tot aan de stinkende sloot, die onze moestuin scheidde van het slachthuis. Die sloot stond altijd vol met een bloederige drab, omdat het slachthuis in die sloot afwaterde. De afstand van het huis tot aan de sloot, bedroeg slechts 150 meter. De reis ernaar toe duurde voor mij een eeuwigheid. Ik keek naar de grond. Achter ons was de snerpende stem van pappa, die riep “verder!!, verder!!”. Voor ons waren vlagen van duisternis waarop donkere vlekken zich heen en weer bewogen. Om ons heen voelde ik mensen, overvallers, die wachtten op het juiste moment om toe te slaan. Als we dichtbij waren zouden ze ons bespringen en onze buiken opensnijden. Ik bedacht dat de grond onder onze voeten bestond uit klei. Moeilijk om dat je ingewanden in uit te smeren. Daar was zand beter voor. Maar de pijn die het zou doen, als mijn buik werd opengesneden, leek mij verschrikkelijk. Toen moesten we naar links. Langs de sloot naar de bomenrij waaraan onze moestuin grensde. Daar in die bomenrij, achter de struiken, zouden die overvallers zijn. Daar konden ze zich verdekt opstellen. Uit het zicht. Het kwam niet in mij op om hard terug te rennen naar huis. Blijkbaar was de angst daarvoor nog groter. Toen kwam het moment van stilstaan. “Halt”!!, riep pappa en we bleven staan.
Daar stonden we dan. Een vrije prooi voor alles wat ons van het leven zou willen beroven.
Hoe lang ik daar gestaan heb, weet ik niet. In mijn beleving leek het uren. De koude wind waaide door onze pyjama’s. Mijn voeten waren ijs en ijskoud. Om me heen de loerende blikken van gevaarlijke mannen en vreselijke monsters
Abonneren op:
Posts (Atom)
