copyright Gerrit Kram (publicatie alleen met toestemming: gerritkram@hotmail.com)







Posts tonen met het label "de liefde". Alle posts tonen
Posts tonen met het label "de liefde". Alle posts tonen

donderdag 15 april 2010

Rijmelarij

Lopen in een warme lenteregen,
staren naar de ondergaande zon.
Luisteren naar een vroege ochtendmerel,
die met een zachte toon de dag begon.
Zweven op de nevels in de morgen,
mijmeren in mijn allermooiste droom.
Varen op een avondmeer vol vogels,
liggen in de zwoelte van een boom.
Fantaseren over verre reizen,
wandelen door een veld vol winterkou.
Prevelen bij het warme open haardvuur,
Zeggen dat ik zielsveel van je hou.

dinsdag 6 april 2010

Zoals jij

Zoals jij nu mijn stilte bent
en zacht mijn wereld binnendringt,
de tijd tot stilstand brengt
met fluisterende gedachten.

Zoals jij nu mijn warmte bent
die trage loomheid oproept
in mijn lijf en sluimert
in het diepste van mijn ziel

Zoals jij nu mijn droom bent
onuitgekomen onbereikbaar
die als de dag aanbreekt
blijft als een zoete herinnering

©2010


maandag 5 april 2010

Het ziekenhuis

Ze ligt op een kamertje alleen, op de zesde etage. Een zielig hoopje vrouw in een veel te groot wit bed. Een bruin hoofd met grijszwarte haren steekt boven de witte lakens uit. Op het voorhoofd staat een grote frons. Haar gezicht heeft een bekende trek, die van verdriet. Het doet me denken aan die oude foto uit het tijdschrift “De Spiegel” van 1946. Daarin staat zij vereeuwigd met een vertrokken gezicht, in de armen van pappa. Een weerzien van vijf lange kampjaren in Indië. Hetzelfde vertrokken gezicht vertoont ze nu. Het lijkt een spiegel van angst en verdriet. Het is doodstil. Er lopen verpleegsters heen en weer, schijnbaar doelloos. Hun stappen bonzen in de stilte van de zaal een beklemmend ritme. Met een van mijn zusters sta ik naast het bed. We kijken naar het mensje dat voor ons ligt. We zien dat ze af en toe een scheut pijn verwerkt, want dat vertekent haar gezicht nog meer. De vraag wat ze zou hebben, speelt in onze hoofden. Naar later blijkt, niet alleen in onze hoofden, maar ook in het hare. Maar op de een of andere manier is het voor mij wel duidelijk. Ik bedoel, dat ze kanker heeft in haar onderbuik. Of zij het weet kan ik niet raden, maar ik denk wel dat ze het beseft. Het is een van die zeldzame momenten die een mens in zijn leven heeft. Het moment dat je beseft dat het leven eindig is en jij er niet lang meer aan zult deelnemen. Op zo’n moment staat je leven stil en heerst om je heen slechts het nu, waarin weinig meer valt te verbergen. Er is echter nog geen definitieve diagnose. Mamma is onrustig. Ze zegt weinig maar haar gezicht spreekt boekdelen. Af en toe kijken we elkaar aan. Geen blikken van verstandhouding, maar meer een vluchtige zoektocht naar contact en woorden. Dan mompelt ze wat. Eerst onverstaanbaar, maar iets later zijn er woorden te herkennen. Onsamenhangende woorden die eerst vervliegen in mijn gedachten, maar die door herhaling toch een vaste betekenis krijgen. Ze wil weten wat ze heeft en wat er te verwachten is. Ze weet het niet, vandaar die onrust. Mijn zus en ik doen soms pogingen om een gesprek te beginnen. We zeggen dan maar wat. Maar het heeft geen invloed op het mompelen. Mamma wil gewoon weten hoe het met haar is. Dan vraag ik of ik de dokter moet halen. Even kijkt ze me langer aan en ze knikt. Mijn zus en ik lopen naar de verpleegstersbalie, waar we vragen naar de dokter. Die zal over een tijdje zijn gewag doen. Daarom lopen we maar terug, om te wachten.
In het ziekenhuiskamertje is niets veranderd. Er staat nieuw drinken, limonade met een rietje. Mamma drinkt er niet van. Dan volgt een schijnbaar lange wachttijd, waarin mamma draait in haar bed en wij steeds weer blikken wisselen, zonder woorden. Als een van ons iets zegt, smoren de woorden in de stilte van de hospitaalkamer, waar steeds opnieuw een zuster binnenloopt om te kijken hoe het is. Omdat mamma zo onrustig is mogen wij langer blijven. We staan met zijn tweetjes hulpeloos en zonder woorden naast het bed. Er heerst een schreeuwende stilte, die op de achtergrond werd doorbroken door het zeurderig geluid van het dagelijkse verkeer, dat langs het ziekenhuis denderdt. Steeds doen we een poging die stilte te doorbreken. Dat lukt nauwelijks. Elke zin, elke vraag smoort in die stilte. Er rest ons blijkbaar niets anders dan een onbeduidend staren naar elkaar en naar haar, naar buiten en weer naar elkaar. Af en toe kijkt zij ons aan en mompelt wat. Het lijkt op iets in de trant van : “ïk wil weten waar ik aan toe ben”. Aan haar blik zie ik haar angst. En als mijn zus vraagt of we de dokter moeten halen, knikt zij instemmend. Ik loop naar de balie en vraag om de dokter. Dan loop ik terug naar de stilte van de ziekenhuiskamer. We wachten op de dokter..
In de waas van de stilte trekken duizenden beelden aan mij voorbij. Zij leek altijd zo teer en kwetsbaar. Een onooglijk klein bruin Indisch vrouwtje in een enorm wit bed. Misschien een metafoor voor de grote witte wereld waarin zij door haar komst naar Nederland terecht kwam en waarin zij zich met vallen en opstaan staande had gehouden. Vlagen van gesprekken met haar, vonden mijn herinnering. Verdriet en angst, plezier en geluk werden door mijn hersenen in de vorm van beelden van vroeger verwerkt. En ineens herinnerde ik mij een droom die ze mij vertelde. Ze had die gehad vlak na de oorlog of misschien wel tijdens de oorlog, in gevangenschap. Ik was er toen nog niet, maar gek, dat verhaal is me altijd bijgebleven. In die droom liep zij op een lange lege, eindeloos schijnende zandweg. Zij trok een groot bananenblad voort, met daarop haar twee kinderen, mijn oudste zus en broer. De tocht was een enorme krachtsinspanning. Zij sleepte als het ware voort met haar kinderen. Ze had na dit verhaal gelachen en ik ernaar geluisterd zonder door te denken. Maar nu doemde het weer in mij op. Ik bedacht dat de droom haar leven voorstelde. Een lange lege weg zonder zichtbaar einde, die met een grote krachtsinspanning moest worden afgelegd. Misschien stond de leegte wel voor haar vervlogen hoop en het slepen voor haar voortdurende inspanning die hoop te achterhalen. Zo was haar leven ook geweest. Een weg zonder doel. Alsmaar doorlopen en doorlopen. Hoe vaak was zij mishandeld, verrot geslagen. Hoe vaak had zij ons, haar kinderen verdedigd tegen de brute kracht van pappa. Hoe vaak eindigde de strijd om haar dochter tegen zijn smerige lijf te beschermen, in een bloedige afgang en een stil, verdrietvol verlies. Vlagen van die gevechten trokken aan mij voorbij. Worstelingen die leidden tot grof geweld, waarin zij altijd het onderspit delfde. Hoe vaak is ze opnieuw begonnen met hem, met elke keer dezelfde teleurstelling.Waarom was ze op die weg gebleven. Waarom had zij steeds maar weer gekozen voor dat voortslepen. Waarom was die waaromvraag op dit moment zo belangrijk voor me, terwijl ik tegelijkertijd besefte dat ik er nooit een antwoord op zou krijgen. De opengaande deur verstoorde mijn gedachtegang. De dokter kwam binnen. Het was een dikke man met een vrolijk gezicht. Hij ging voor het bed staan en probeerde ernstig te kijken. Haar vraag, wat heb ik dokter, maakte het gezicht alleen nog maar ernstiger. U hebt kanker mevrouw, ernstige kanker.

Wat wij allemaal al wisten en wat zij ook al had vermoed was nu ineens een werkelijkheid. Mijn zus barste in tranen uit. Ik keek naar mamma. Ik zag haar wenkbrauwen fronsen, een klein moment maar. Daarna vertrok zij haar gezicht in een vreselijke stille en verdrietige grimas. De dokter verliet de kamer en wij bleven in een ondoordringbare en tijdloze minuut hangen, alsof in een eeuwigheid. En kijkend naar haar en zag ik het grote verdriet van al die jaren getekend op haar gezicht. Ik meende te zien dat zij zichzelf op dat moment alle vragen stelde die ik daarnet had bedacht. En ineens keek zij mij aan. Verdrietig vragend. Daarna wendde zij haar gezicht opnieuw af. In mij verstomden alle gedachten aan vroeger. In mij verstomden alle mogelijke verwijten die ik tijdens het wachten op de dokter had gevoeld. In mij verdween elk gevoel van onrust. Het maakte plaats voor een gevoel van tederheid en liefde, of misschien wel medelijden. Zo klein, zo kwetsbaar lag zij daar. Kwetsbaar, zoals zij altijd al was geweest. De lange zandweg was bijna afgelegd. Ze keek me vragend aan. Ik ging naast haar op het bed zitten. Sloeg mijn hand over haar schouder en zei: “mamma, je bent een goede moeder geweest”. Ze draaide zich langzaam om. De grimas op haar gezicht was verdwenen. Misschien staan er toch bloemen op het laatste stukje van de zandweg. Ik weet het niet.

donderdag 1 april 2010

Doodgaan

Gisteren ging ik dood.
Zonder afscheid, nergens angst.
Slechts hier en daar wat
eenzaamheid en spijt.
Met een gevoel van vedwaald zijn,
keek ik om me heen en
in de wirwar van mijn overtuigingen,
zag ik nergens zekerheid.
Niet dat ik die zocht,
want er was geen drang
om iets te moeten vinden.
Ik was, mijn gedachte en zag
En toen mijn laatste drang
tot leven was vergoten,
ontstond er rond mij,
een warme leegte
Toen opende mijn huid
en iedereen die ik was
of had gekoesterd als mijzelf
vervloog naamloos
in het zachte niets

En ineens zag ik.
Veel felle kleuren rond mij.
De wervelende schoonheid
van het dagelijkse gewoon,
drong door in mijn lijf.
En daar was jij.
In rook de geur van
bloemen in je haar
en liet me dragen door de
tonen in je stem.
Genoot van de eindeloze diepte
in je blikken van tederheid
proefde jou in alle vezels
van mijn ziel en wist..
Mijn god, wat hou ik veel van jou

En dat besef was het moment
dat een druppel spijt
zich van mij meester maakte
en restte mij
alleen het nu

met jou

zondag 14 maart 2010

IJsbloemen (1953)

Toen ik die zondagmorgen de huiskamer in liep, zag ik dat de ijsbloemen het gevecht met de nog na smeulende kolenkachel hadden gewonnen. Als een prachtige sluier vol met kleurvolle lichtschakeringen, bedekten zij het raam van de huiskamer. Het was ijskoud. Ik liet mijn ogen meenemen in de trage geelpaars-roodblauw dans van de ijskristallen en verloor mezelf in de wervelende rondingen die tintelden op mijn netvlies. Langzaam bekroop mij het adembenemende gevoel dat ik in een zeldzaam moment terecht was gekomen en ik ging mee in dat moment. Zes jaar was ik, maar eindeloos wegdromen was een voor mij geliefde bezigheid. Dan gleden mijn gedachten naar niet bestaande plekken vol vrede en rust en groeide in mij een warme zekerheid dat er méér op de wereld was. Dat meer was zacht, liefdevol, mooi en adembenemend. Het had geen vormen, ik wist niet wat het was, maar het was er. 

Een stommelend geluid bracht me terug in de huiskamer. Mijn vader stommelde binnen en direct voelde ik een windvlaag van koude lucht, die met hem door de geopende kamerdeur naar binnen kwam. “Ga een kit kolen halen”, commandeerde hij. Ik wist dat ik hem dit bevel niet moest laten herhalen. Een genegeerd bevel leidde altijd tot een woede-uitbarsting met vloeken en tieren, iets dat mij grote angst inboezemde en iets wat ik dus ten alle tijden wilde voorkomen. Ik pakte de kolenkit en drentelde naar de schuur die achter de keuken was en trok mijn laarzen aan. Het kolenhok was buiten. In mijn pyjama liep ik naar buiten en vulde de kit. Het was ijskoud. Teruggekomen in de huiskamer zette ik de kit neer. Pappa was vloekend bezig met hout de kachel op gang te brengen. Dat lukte niet direct zodat de sfeer die morgen met ratelende vloeken werd bepaald. Ik wist dat je op zulke momenten erg op je hoede moest zijn. Een verkeerd woord en jij had het allemaal gedaan. Ook nu, op deze vroege morgen, terwijl hij niet eens dronken was. En als je het eenmaal had gedaan, dan liep het op zo’n dag niet goed af. Dan werd je voor hem het toonbeeld van verraad of ongehoorzaamheid. Daarop volgde dan uiteindelijk een kastijding die meestal begon met het stellen van een beschuldiging. Jij had dan iets gedaan. Hij verzon het ter plekke. En dan kwam het standrecht. Daaraan vooraf ging dan een ruzie met mamma, die je probeerde te beschermen. Dat lukte nooit en leidde meestal ook tot een handgemeen, waarin zij uite4raard de mindere was. Zo snel mogelijk aankleden, was nu het devies en dan naar buiten. Weg van deze plek. En zo liep ik even later door de straat in de richting van het kleine kanaal dat door het dorp liep. Het was inmiddels een uur of elf. Van ver af hoorde ik stemmen die schreeuwden en lachten. Toen ik het kanaal kon zien, zag ik dat er kinderen op het ijs aan het schaatsen waren. Ik zou dat graag doen, maar ik kon niet schaatsen. Ik had niet eens schaatsen. Besluiteloos liep ik daarom over het ijs, niet wetend wat ik nu moest doen. Ik keek naar een jongen, iets groter dan ik, die al schaatsend, of liever gezegd op kleine schaatsen strompelend, een stoel voortduwde. Ik was jaloers hij wel kon schaatsen. Blijkbaar stond mijn jaloezie, of liever gezegd, de wens om ook te schaatsen, duidelijk op mijn gezicht geschreven, want een vrouw schoot mij aan en vertelde me dat je op die manier prima kon leren schaatsen. Zij had nog wel een paar schaatsjes voor mij te leen. Ik moest dan wel thuis mijn laarzen ophalen, want daaronder zouden die schaatsen beter passen. Natuurlijk moest ik ook een stoel meenemen. Ik rende naar huis, greep daar mijn laarzen, pakte een oude keukenstoel uit de schuur en rende weer terug. Het duurde niet lang of de mevrouw kwam aanlopen en duwde mij twee bruine, roestige schaatsjes in mijn handen. Een kort moment later, strompelde ik over het ijs van het kleine kanaal. Ik schaatste !!! en ik was er zelf trots op. Na een ochtend stoelduwen, ging het zelfs uitstekend en kon ik zelfs zonder stoel vooruit komen. Die middag schaatste ik echt. Mogelijk was het onooglijk om aan te zien, maar ik vond dat ik schaatste en niemand betwistte dat. En zo reed ik heen en weer door het dorp, vallend en opstaand, steeds weer onder de brug door, waar het schaatsverkeer het hevigst was. Mensen drongen daar door elkaar heen, om naar de andere kant van de brug te komen. Het was er een drukte van jewelste, maar die barrière nam je gewoon. Voor de zoveelste keer stond ik voor het bruggetje en wilde ik eronderdoor glijden. Ik rustte even uit voor ik de rij in dook. Ik keek om me heen en zag plotseling een jongen met behoorlijke snelheid op de brug afrijden. Mogelijk zag hij te laat dat hij er niet zomaar door kon, want hij probeerde te remmen, gleed naar rechts en botste met een flinke klap tegen een meisje dat uit stond te rusten. Het was nogal een botsing en ook de jongen viel, maar hij was snel overeind. Het meisje krabbelde op, maar voordat ze stond begon de jongen tegen haar te schelden. Ze had in de weg gestaan en om zijn scheldwoorden kracht bij te zetten, duwde hij haar opnieuw op de grond. Opnieuw stond ze op. Haar donkere lange haar was in de war geraakt. Haar jas zat onder de sneeuw en er pinkelden tranen in haar ogen. Toen draaide ze van die jongen weg en keek mij aan. Er ging een rilling door me heen, gevolgd door een gelukzalig gevoel, dat veel weg had van het moment van de ijsbloemen in de ochtend. Ik dreef weg in die donkere ogen en voelde dat ik vond wat ik altijd had gezocht. Voor het eerst in mijn leven was het voelbaar en zelfs tastbaar. Het draaide voor mijn ogen en in mijn buik en in mijn borst kolkte het van een vreemd toegenomen spanning. Dit is het, dacht ik. Misschien is het liefde. “Liefde bestaat!!!”, schreeuwde ik innerlijk uit en met die schreeuw kwam ik terug in de werkelijkheid, waarin ik haar zag huilen, terwijl de jongen zich klaarmaakte voor nog een gemene duw. Een spannende woede kwam in mij op. Ik voelde me koud en rustig en na een snelle berekening stoof ik op hem af. Hoe groot ie ook was, binnen een mum lag hij op het ijs en zat ik boven op hem. Ik zag dat het meisje keek en dat gaf me extra kracht om de grotere knaap in bedwang te houden. Hij schreeuwde toen ik sneeuw in zijn gezicht smeerde en lekker uitwreef. En toen gaf ie zich over en ik kon triomfantelijk van hem afstappen. Toen draaide ik me om, om naar het meisje te kijken en met haar mijn triomf te vieren. Maar ze was er niet meer. 

Ik heb in mijn jonge jeugd jaren naar haar gezocht. In het begin vond ik delen van haar in de meisjes en vrouwen waarop ik verliefd werd. Soms leken ze op haar van gezicht en soms zag ik iets herkenbaars in hun ogen. Soms waren ze van hetzelfde type. Inmiddels had ik haar ook een naam gegeven. Heidi. Ze beheerste mijn dromen tot ver in mijn twintiger jaren en zelfs daarna.